Blues

Blues

31 juli 1998, exact tien jaar geleden. Na een korte nacht stapten we in Wezemaal op de fiets, richting Essen, de rook van het kampvuur nog in de kleren. Mijn laatste dag in KSJ Heidebloempje Essen. Ik weet nog dat we ergens aan het Schanker even moesten stoppen om een klein fietsprobleempje op te lossen. Enkele leden gingen naar mijn smaak net niet genoeg aan de kant staan, zodat ik hen tot de orde heb geroepen. Ik herinner me dat ik er toen aan dacht dat dat dus de laatste keer zou zijn. En inderdaad, we bereikten de Heuvelhal zonder dat iemand nog nood had aan bijkomende instructies…

Tien jaar later dus. Er kwam een voor mij nog onverwacht lang en gevuld vervolg aan mijn KSJ-loopbaan, binnen de provinciale en nationale structuren. Waar ik eveneens veel plezier aan heb beleefd. Toch is dat heel anders dan de intense beleving die je in een plaatselijke groep meemaakt.

KSJ Essen heeft tussen 1978 en 1998 mijn leven getekend, waarbij uiteraard de acht jaar in leiding en de drie jaar dat ik bondsleider een belangrijke plaats innemen. Toch heb ik ook heel goede herinneringen aan de tijd als lid. Ik herinner me een tocht doorheen brandnetels die ongeveer zo hogen waren als onze zesjarige zelf op mijn eerste kamp in Lignueville. Kris Vorsselmans sloeg de netels plat met een stok, en zo ongeveer moet het volk Israël zich gevoeld hebben toen de Rode Zee voor hen openspleet. Kris opende een rij van leiders en leidsters die een stempel drukten op mij. Ik denk ondermeer aan Dirk Besters, Dirk Smout en Patrick Suykerbuyk. Ik ben hen allemaal nog steeds erg dankbaar.

In een jeugdbeweging leer je veel om vanuit een groepsperspectief te denken, meer dan je dat elders kan opsteken. Ik heb later dikwijls gemerkt dat het niet zo moeilijk was om in te schatten wie wel en wie niet bij KSJ-KSA-VKSJ, Chiro, Scouts of een andere jeugdbeweging was geweest.

Zelf leiding worden is daarbij meer dan zomaar een plusje. Enkele jaren echt verantwoordelijkheid nemen in de leiding van een jeugdbeweging is zeker zoveel waard als een jaartje universiteit (de economist die het zou willen uitrekenen met loonvergelijkingen garandeer ik een positief resultaat – alleen zijn de gegevens vooralsnog niet beschikbaar, vrees ik). Dat het Bolognadecreet, maar eerder ook al de semesterexamens, het jeugdbewegingsengagement van studenten bemoeilijken is daarom niet alleen jammer voor hen, maar ook een slechte zaak voor de samenleving.

Ik heb in KSJ leren plannen, leren vergaderen, leren evalueren, leren relativeren, leren motiveren, leren beheren, leren discussiëren, me leren engageren, leren delegeren,… Niet alles even goed misschien, maar toch. De Kernraad met toenmalig voorzitter Leo van Gink was het moeilijkste orgaan waarmee ik ooit heb onderhandeld, en dat blijf ik ook na 15 jaar politiek, en professionele ervaring met kabinetten en internationale organisaties, vinden. Ik heb in KSJ ook leren genieten van de natuur, van actief zijn, van gewoon samen te zijn. Ik heb in KSJ, meer dan elders, leren leven. “Ik ben wie ik ben in KSJ” stond in het refrein van het jaarthemalied van 1998-1999 – net één jaartje te laat.

Eén van de allersterkste kanten van een jeugdbeweging is dat ze ruimte biedt om te zoeken, te experimenteren en ook te mislukken. En die is er in het leven niet altijd genoeg. Een slechte fuif, waarbij je een hele avond staat te werken en toch verlies boekt achteraf, is géén ramp, maar je kan er veel van leren (en die les doorspoelen met wat er nog in het slechts half getapte vat bier zit). Natuurlijk zijn er daarbij grenzen, maar jeugdbewegingen gaan er niet zo vaak over.

Vanuit KSJ ben ik in de Jeugdraad gerold (en zo in de Ronde van Essen, de Speelpleinwerking…), en ook in de gemeentepolitiek. En ook in mijn werk val ik al eens terug op kneepjes die ik onmiskenbaar in KSJ leerde.

KSJ, maar bij uitbreiding elke jeugdbeweging, zal dus nooit vergeefs bij mij aankloppen. Ik heb altijd gevonden dat materiële zorgen de werking niet mogen overheersen, en dus mag maatschappelijke meerwaarde zich ook in financiële en andere steun uitdrukken. Al mag daarbij de lat niet te laag worden gelegd : leiding moet voortdurende uitgedaagd worden om niet alleen een (voor henzelf) plezante groep te zijn, maar ook een degelijk opvoedingsmilieu – alleen dan maakt de jeugdbeweging haar rol immers voluit waar. En dat is belangrijk, zodat ook binnen tien, twintig, dertig… jaar mensen kunnen terugkijken en zoals ik vaststellen, een cliché geworden song van toen citerend : “Those were the best days of my life.”

Scottish blend

Scottish blend

In een tussentijdse verkiezing in een kiesdistrict in Glasgow werd de kandidaat van Labour verslagen door die van de SNP, de Scottish National Party. Het gaat om een vrij spectaculaire overwinning : het kiesdistrict was al 60 jaar in handen van Labour, en bij de vorige verkiezingen bedroeg het verschil nog 13.000 stemmen in het voordeel van Labour. Nu verhuisde 22% van het totaal aantal stemmen in de richting van de SNP-kandidaat Mason.

De “by-election” was uitgeschreven omdat het vorige parlementslid om gezondheidsredenen ontslag nam, en gaf de kiezers in de eerste plaats de kans om een proteststem uit te brengen tegen de Labourregering. Dat gebeurde al bij verschillende gelegenheden, en vooral de Conservatieven onder de sluwe en mediagenieke David Cameron profiteren daarvan.

Cameron lijkt in stijl veel meer op Tony Blair dan diens Labouropvolger Gordon Brown. Bovendien heeft hij net als Blair begrepen dat het in een tweepartijenstelsel vooral essentieel is om het politieke centrum te bezetten. Al blijven er beleidsverschillen en zouden de Britten beter twee keer nadenken vooraleer ze de Tories terug aan de macht brengen. Over de EU zwijgt Cameron veelal, maar onderhuids staat hij voor een anti-Europese lijn die harder lijkt dan die van Thatcher. En dat wil wat zeggen. Binnen de Unie is het nu al lastig werken met de Britten, en niemand in “Brussel” lijkt voorbereid op PM Cameron. Tijd voor een “Plan B”.

Of een “Plan C”. Want de overwinning in Glasgow-East ging niet naar de Conservatieven (die daar ook niet op gerekend hadden en gelukkig waren met een derde plaats en een dikke 1.000 stemmen). De SNP is de laatste jaren het meest geloofwaardige alternatief geworden voor Labour in Schotland. Dat dankt ze aan de sterke leiding van Alex Salmond, aan een sterk imago dat ook kiezers aantrekt die niet (alleen) om nationalistische redenen stemmen én sinds de laatste verkiezingen voor het Schotse Parlement ook aan “goed bestuur”. In Edinburgh regeert een SNP-minderheidsregering, en die doet dat goed. De partij heeft een referendum over onafhankelijkheid beloofd voor 2010, en laat zich niet opjagen om dat te vervroegen. Als in Londen de Conservatieven aan de macht komen, zou dat wel eens een “boost” kunnen geven aan de onafhankelijkheidsgedachte in (het overigens wel duidelijk pro-Europese) Schotland. Een onafhankelijkheid binnen een vorm van confederatie, wellicht, want ook Salmond wil bijvoorbeeld de Queen niet afdanken.

“Goed bestuur” als hefboom voor een staatshervorming. Waar hebben we het meer gehoord ? Het kan werken, maar het kan ook grandioos mislukken. De SNP doet er wellicht goed aan haar contacten in Vlaanderen nuttig te gebruiken…

Over de schreef

Over de schreef

Laat ik het eens over Roosendaal hebben. Ik had de recente politieke ontwikkelingen daar over het hoofd gezien, maar gelukkig wees een andere politiek geïnteresseerde Essenaar -de burgervader hemzelve- me er onlangs op dat ik wat gemist heb.

Begin juli keurde de gemeenteraad een motie van wantrouwen goed tegen wethouder (schepen) Buijs. Door de fout van een ambtenaar miste het gemeentebestuur de opbrengst van 1,6 miljoen EUR aan baatbelasting op de riolering – zeg maar “verhaalbelasting” dus. En Buijs werd daarvoor “politiek verantwoordelijk” gesteld. Zelf valt hem niet echt veel te verwijten, overigens, en iedereen lijkt het erover eens dat hij zijn mandaat op een degelijke manier vervulde.

Coalitiepartner VVD steunde de motie van wantrouwen, de Roosendaalse Lijst (de partij van Buijs) en de PvdA (de grootste partij) deden dat niet. Alle oppositiepartijen steunden de motie ook. De coalitie ligt in duigen.

Vanop minder dan een kilometer van de grens valt in de eerste plaats de enorme afstand op. De Vlaamse gemeenteraden beschikken niet over het instrument van de “motie van wantrouwen” : we kunnen geen schepen wegsturen, hoe slecht die ook zou functioneren. Ik weet op zich ook niet of het instrument wel zo wenselijk zou zijn, want het zou bekwame mensen wellicht afschrikken om schepen te worden : stel dat je na een jaartje wordt weggestemd, en je hebt er je baan (geheel of gedeeltelijk) voor laten staan… Maar als oppositielid is de “motie van wantrouwen” natuurlijk iets dat ik wel in mijn instrumentenkistje zou willen zien zitten. En alleen het bestaan ervan, zou de schepenen ook bij de les houden.

Een ander opvallend verschil is de kwestie van de “politieke verantwoordelijkheid” : geen politicus zou hier opstappen of weggestuurd worden voor wat manifest een fout van de betrokken ambtenaar is, zeker niet op lokaal niveau (en de ambtenaar zou, wegens vastbenoemd, wellicht ook blijven zitten). Waarschijnlijk zou met alle mogelijke middelen geprobeerd worden een mouw te passen aan de gemaakte vormfout, en zou het dan “de schuld van de provincie, de regering of de rechtbank” zijn als die vlieger niet zou blijken op te gaan. Opnieuw : ik weet niet meteen wat de beste optie is, maar ik zie wel wat de meest boeiende debatten zou opleveren.

Er wordt nu geprobeerd een nieuwe meerderheid op te zetten, vermoedelijk met het CDA of GroenLinks in plaats van de VVD. De VVD-wethouder zal dan ontslag moeten nemen. Ook zo’n tussentijdse coalitiewissel kan hier niet (tenzij een partij vrijwillig volledig zou opstappen uit de meerderheid). Natuurlijk zou ik mijn zomervakantie wel willen besteden aan het uitwerken van een alternatief bestuursakkoord. Toch sta ik niet te springen om zomaar de Nederlanse Gemeentewet hier in te voeren, want elk voordeel heeft ook in dit verband duidelijk een nadeel. Maar boeiend is het wel…

Vive la Flandre

Vive la Flandre

11 juli is de voorbije jaren uitgegroeid tot een elfdaagse die op 1 juli begint. Een goed concept, dat ook in Essen aanslaat. Het programma zag er in onze gemeente dit jaar veelbelovend uit, en slaagde (voor zover ik het heb meegemaakt) ook in dat opzet.

De “officiële” viering op 6 juli had de klassieke ingrediënten, waarvan ik er sommige al meer kan smaken dan andere. Ik vermoed dat er veel gelegenheidsbezoekers waren (en dat is positief) omdat nogal wat mensen bleven zitten tijdens het zingen van het Vlaamse volkslied (dat heb je in een land zonder volksliedcultuur, het zou de Fransen of Amerikanen nooit overkomen).

Op 11 juli zelf stond “Essen zingt !” op het programma. Het is niet gemakkelijk om mensen aan het zingen te krijgen. Bovendien is het terrein achter de Oude Pastorij niet de beste locatie (en niet alleen omdat het daar al snel “Essen zinkt !” wordt) : zingen vergt een groepsgevoel, en daarvoor moeten mensen ook fysiek dicht bij elkaar staan. Maar verder zat het perfect in elkaar, zodat het naar mijn aanvoelen toch een succes werd. Al werd de oudere generatie misschien wat afgeschrikt door het voorprogramma (het energieke en sympathieke jonge grut van Gutz), dat misschien beter de dag nadien zou zijn geprogrammeerd.

De afsluiter kwam er met Axl Peleman op zaterdag, die een aantal gasten meebracht (waaronder de lokale helden Raf Walschaerts en Nathalie Delcroix), voorafgegaan door de al even lokale heldin Cerys – dochter van een kwisploegcollega, dus extra leuk om in actie te zien. Peleman speelde ook op het congres waar de VlaamsProgressieven werden gedoopt. Daar maakte hij indruk op mij, en hij bewees ook gisteren dat hij het hart op de goede plaats heeft. Wie bovendien in Mia een heerlijke zin kan verwerken als “Mensen lak ga vinde overal, oep de Peirdemert en oep de Luchtbal” zit sowieso goed. Zijn lied over het Kiel is trouwens zowat het minst prekerige en daardoor politiek wellicht één van de meest relevante songs over het multiculturele land waarin we wonen.

Dit is het soort feestdag waar ik van droom, voor het Vlaanderen zoals ik het graag zie : met vertrouwen in zichzelf, maar ook met zelfrelativering en een open blik op de wereld. Toch jammer dat “Essen zingt !” het zonder het enige geprogrammeerde nummer in het Frans moest doen. Niet zozeer omwille van “Les filles du bord du mer” op zich, al is dat een prachtig lied. Maar een Vlaanderen waarin ten zuiden geen Frans wordt gesproken zal altijd een te klein Vlaanderen zijn. Al was het maar omdat op één of andere manier Brussel voor mij ook volgende week nog voor een stuk bij Vlaanderen moet horen – en zeker omdat ik de dag niet wil meemaken dat bij internationaal gevalideerd referendum een staatsgrens onder Londerzeel wordt getrokken.

Hopelijk valt er op 15 juli óók iets te vieren, waarvoor zowel de leeuw als de haan op hun respectievelijke vlaggen mogen klauwen.

Que sera Serafien

Que sera Serafien

Wie goed heeft opgelet, had het wellicht al door : de actie “Teken voor Serafien” wordt gevoerd vanop mijn webruimte. Waardoor de zo al wat haperende servers van mijn provider (Globat in de V.S.) nu echt wel zwaar onder druk zijn komen te staan. Het loopt allemaal niet zo vlot als zou moeten, maar dat ligt uiteraard ook gewoon aan de overrompelende respons die de actie krijgt. Als er gemiddeld om de 15 seconden iemand tekent, dan is het logisch dat er al eens twee ondertekenaars elkaar virtueel in de weg lopen…

Het volume en de snelheid zorgen er ook voor dat er behoorlijk wat tijd in het onderhoud van de site kruipt (dubbels wegwerken, mensen die niet bevestigd hebben een verwittiging sturen, pogingen doen om de meest foutgevoelige processen te vereenvoudigen…). Maar de actie is natuurlijk meer dan de moeite waard, dus is dat met veel plezier gedaan.

Op een briefje

Op een briefje

Een pennenvrienschap moet onderhouden worden, en dus heb ik me nog eens tot het schepencollege gericht. Dat gebeurt wel meer, maar omdat de brief over de frituur van Heikant gaat waar ik in één van de vorige tekstjes naar refereerde, kan je deze brief hier vinden. Zoals altijd ben ik bijzonder benieuwd naar de antwoorden.

Naschrift 1: In de brief stel ik voor om met een buurtbemiddelaar te werken, die is aangesteld door het gemeentebestuur. Dat lijkt me noodzakelijk omdat zo iemand op een professionele manier zou kunnen bemiddelen, als neutraal zou worden aanzien, en bovendien met een uitdrukkelijk mandaat van het bestuur ook sterk genoeg in de schoenen zou staan.

Naschrift 2: Ik kreeg in de marge van het frituurverhaal het verwijt dat er vanuit onze fractie tegen bepaalde slechte beslissingen geen klacht werd ingediend bij de gouverneur of de minister.

Nu heeft er de voorbije 15 jaar niemand in Essen zoveel klachten mee uitgewerkt en/of ingediend als ik. Er komt zelf niemand nog maar in de buurt volgens mij (niet dat ik daar trots op ben, overigens). Maar het heeft geen enkele zin om klacht in te dienen tegen een beslissing als de procedure correct is gevolgd en er geen wetten worden overtreden, hoe slecht de beslissing zelf ook zou zijn. De aanleg van het Heuvelplein is daarvan een voorbeeld. Dossiers waarin formeel nog zo goed als niets is beslist (de nieuwe sporthal, om maar wat te noemen) lenen zich al evenmin tot een klacht – dat kan altijd nog komen. De klacht is een instrument als alle andere die in de oppositiegereedschapskist zit : bijzonder geschikt in bepaalde gevallen, volstrekt zinloos in andere.

Roefel revisited

Roefel revisited

Roefel, al voor de 15e keer. Dat Essen in 1994 ook een Roefel kreeg, reken ik bij één van mijn eerste politieke verwezenlijkingen. Nogal wat Essenaren keken in het begin van de jaren 1990 jaloers naar Kalmthout, waar de Roefeldag een groot succes was. Met het toenmalige Jeugdraadbestuur gebruikten we die afgunst (ik herinner me dat “Broer” er ooit een cartoon van maakte) als hefboom om niet alleen een Roefel te krijgen, maar meteen een volwaardige jeugddienst. Het schepencollege probeerde nog wel wat nepoplossingen uit, maar die leverden nooit een Roefel op – waarmee ons gelijk dus bewezen was. Frans Schrauwen, schepen van jeugd, voelde (toen nog ?) goed aan wanneer een bocht onvermijdelijk was, en wist daarvan meestal dan ook nog het beste te maken. Zodat uiteindelijk Josée Van Doren de gemeentelijke jeugdambtenaar werd. In principe maar deeltijds, want zoveel werk kon dat nu toch niet zijn. Maar wij wisten beter (en Josée ook), zodat we al snel een volwaardige jeugddienst hadden.

De hefboom had dus gewerkt, en dankzij een dynamische en enthousiaste stuurgroep kwam er vervolgens natuurlijk ook écht een Roefel. Die al snel uitgroeide tot een groot succes, en daaronder in meer recente tijden ook een beetje bezweek. De zware organisatie, de teruglopende medewerking van de middenstand (vaak begrijpelijk, soms ook niet) en ook wel een beetje het déjà vu-gevoel bij medewerkerd en deelnemers lagen daar wellicht mee van aan de grondslag. Denk ik, want ik heb Roefel altijd meer vanop een afstand gevolgd. Al ben ik nu toch al weer een aantal jaren de “officiële” fotograaf van het gebeuren.

Dit jaar was het nog eens een Roefel “zoals vroeger”, met heel wat activiteiten in winkels en bedrijven en met een trefpunt in elke wijk. Hier en daar zat er wel een schoonheidsfoutje in, en het hele apparaat geraakte ook niet helemaal op kruissnelheid wegens een kleiner aantal kinderen dan verwacht. Maar dat neemt niet weg dat het allemaal erg degelijk georganiseerd bleek (de jeugddienst met Kris en Robin toonde aan dat ook de opvolging van Josée nog altijd bergen kan verzetten, en de stuurgroep met oudgedienden en meer recente nieuwkomers had duidelijk ook het beste beentje voorgezet – jammer genoeg deden enkelen onder hen dat voor de laatste keer).

Bovendien geeft de “blik achter de schermen” van de grote mensenwereld echt wel een meerwaarde aan het geheel. Als fotograaf was ik goed geplaatst om dat te zien. Ik hoop dat er volgend jaar, eventueel in een wat gewijzigde vorm met minder trefpunten, toch nog eens op hetzelfde elan wordt verdergegaan. Al zal ik het niemand verwijten als dat niet zo zou zijn en er opnieuw voor een beperkte formule wordt gekozen, want net als in de vorige eeuw blijft Roefel een hele uitdaging.

Wie benieuwd is naar de foto’s vindt ze hier.

Wat is er van de sport ?

Wat is er van de sport ?

De Essense Sportraad heeft de goede gewoonte om elk jaar de verdienstelijke sportfiguren in het zonnetje te zetten. Wie kampioen wordt in één of andere discipline krijgt een trofee en een oorkonde. Daarbij wordt er geen poging ondernomen om een soort rangschikking te maken. Gelukkig maar, want sporten onderling vergelijken is niet eenvoudig. Natuurlijk krijgen de prestaties van bekende veldrijders in de pers meer aandacht dan de miniemen van Excelsior Essen, maar dat zegt maar weinig over hun relatieve prestaties. Ik vermoed dat ze hun titel alvast minstens even uitbundig zullen gevierd hebben dan (Tsjechisch Essenaar) Zdeněk Štybar met zijn overwinningen heeft gedaan.

Toch ga ik er eentje uit het rijtje uitpikken. Voor mij de meest sympathieke prestatie was die van Gino Meier, die zich in twee “Special Olympics”-disciplines tot Belgisch kampioen kroonde. Alleen al omdat hij even op het podium mocht, is dit soort viering zinvol. Al zou het geheel in mijn ogen misschien wat flitsender mogen, met bijvoorbeeld een videomontage van de verschillende prestaties (in deze tijden van digitale camera’s zou dat toch geen probleem mogen zijn).

Van de toespraak van onze burgemeester herinner ik me niets. Dat pleit voor hem, want op dit soort gelegenheden is een burgemeester nu eenmaal vooral een noodzakelijk decorstuk. Laat ik het dus maar houden op de wijze woorden van zijn collega die het dorp van Samson en Gert bestuurt : “Aan allen die gewonnen hebben : proficiat. Een aan allen die niet gewonnen hebben : ook proficiat.”

We kunnen het niet altijd maken

We kunnen het niet altijd maken

Zoals de klusser beschikt ook de politicus over een instrumentenkist. Daarin zitten geen hamers en schroevendraaiers, maar wel allerlei procedures en mogelijkheden om via de publieke opinie te proberen om het beleid bij te sturen. Welke instrumenten erin zitten, hangt af van je mandaat en van de politieke situatie. Ermee omgaan is iets dat je moet leren, net zoals een hamer al wat handiger om te hanteren is dan de kettingzaag, zelfs als beiden in het kistje zitten.

Het is eigen aan de politieke instrumentenkist dat niet iedereen alle mogelijke gereedschappen heeft gekregen (als dat wel zo is, noemen we dat een dictatuur). Zo kan een parlementslid voorstellen indienen en vragen stellen, maar geen koninklijke besluiten uitvaardigen. Een minister kan dan weer niet zomaar op zijn eentje een Europese richtlijn veranderen. Daarvoor kan alleen een Eurocommissaris het initiatief nemen. Als de minister vindt dat een richtlijn veranderd moet worden, kan hij proberen daarmee naar de pers te stappen. Maar als het een beetje technisch wordt, dan haakt Het Laatste Nieuws wellicht al snel af. En overigens, bij de Commissie lezen ze eerder The Financial Times. Probeer dáár maar eens in te raken… Minister zijn is dus vaak een beetje frustrerend. Maar dat hoort bij een democratie.

Op het lokale niveau is het net zo. Een oppositieraadslid heeft heel wat mogelijkheden. Je kan vragen stellen waarop het schepencollege moet antwoorden (per brief of mondeling), je kan allerlei dossiers inkijken, voorstellen indienen en tussenkomen op de gemeenteraad of in een commissie. Je kan eventueel een klacht indienen bij de gouverneur of de minister. Maar je kan natuurlijk ook gesprekken voeren met mensen binnen en buiten de politiek. Je kan persberichten maken, petities starten, een website opzetten…

Anderzijds kan je niet rechtstreeks een punt in het schepencollege aanbrengen, want daar zit je niet bij. Besluiten over een bouwvergunning bijvoorbeeld kan je niet echt mee sturen. Je kan er niet veel aan doen als je voorstel door de meerderheid wordt weggestemd. Je kan vaak ook alleen maar vaststellen dat sommige persberichten niet in de krant komen, of dat een nochtans heel terechte vraag in dovemansoren valt. Het komt er voortdurend op aan om met de instrumenten die je hebt het maximale resultaat te bereiken.

Elk probleem vraagt om een verschillende aanpak, en sommige zijn ook eenvoudiger aan te pakken dan andere vanuit de oppositie. Iets onder de aandacht brengen, op de agenda zetten, is vaak redelijk eenvoudig. Eerder “technische” onderdelen van een besluit bijsturen is ook niet zo lastig. Om mee een visie uitzetten voor iets dat op wat langere termijn moet worden aangepakt, is er vaak meer ruimte dan je ook zelf zou denken. Een latent slecht beleid (de forfaitaire huisvuilbelasting zoals die tot voor enkele jaren bestond) kan je langzaam ondergraven in de hoop dat het bouwwerkje ooit instort. Een beslissing die men niet wil nemen kan je blijven onder de aandacht brengen (de sportvloer, bijvoorbeeld, maar ook de komst van windmolens in De Rijkmaker) totdat men door de knieën gaat.

Veel moeilijker is het ombuigen van een duidelijk voornemen, zoals de bouw van een sporthal in het Sportpark. Zelfs een goed onderbouwd en gedocumenteerd alternatief is dan meestal niet voldoende. Quasi onmogelijk wordt het wanneer het resultaat van dat soort voornemen dan ook juridisch vaststaat. Helemaal ondoenbaar, als het al wenselijk is, is het terugdraaien van de fysische realiteit : de heraanleg van het Heuvelplein is een slechte zaak geweest, maar het lijkt me niet zinvol energie te steken in een poging om het opnieuw uit te breken. De weekendzone was destijds beter bos gebleven, maar met die vaststelling kan je nu geen kant meer uit.

Sommige gereedschappen zitten niet in de kist, en een boom omhakken met een nijptang kost ontzettend veel tijd en verloren energie. Andere instrumenten hebben een terugslag : het is erg lastig om uit te leggen dat je vóór goedkope woningen bent maar toch tégen bepaalde appartementsgebouwen. Anderen kunnen dat heel gemakkelijk uitleggen alsof je tegen betaalbaar wonen bent. Voor je eraan begint, denk je dus best even na of je niet op je eigen vingers gaat slaan. Niet omwille van de pijn op zich. Maar als je in het gips zit, kan je helemaal niets meer.

Dat is niet altijd gemakkelijk om uit te leggen aan de burger-kiezer. Je kan als gemeenteraadslid heel hard pleiten om een bepaald verkeersbord te verplaatsen, maar als uiteindelijk het schepencollege beslist om dat niet te doen, dan kan je het niet uitgraven. De kans op een persartikel over dat ene bord is niet zo groot : voor de krant is het (wellicht volkomen terecht) geen prioriteit. Een petitie haalt misschien twintig handtekeningen, waarvan vijf “verdacht” omdat de betrokkenen helemaal niet in de buurt wonen. Tien brieven naar het college halen niet meer uit dan één, en zolang het bord een wettelijk type is kan je bij de gouverneur ook niet terecht. Maar de burgers kunnen wel de indruk krijgen dat je veel zegt of schrijft, maar niets voor hen hebt gedaan. Al heb je er alles samen uren tijd in gestopt (dat heb je wellicht graag gedaan, want zoals het invullen van de belastingaangifte me herinnerde : politiek is een hobby).

Maar de mensen zien vaak alleen dat je het bord niet hebben kunnen verplaatsen, terwijl dat voor hen nu net geen moeilijk verhaal leek. Dat gevoel versterkt nog, als je er de daaropvolgende maand wél in slaagt om een belasting te laten afschaffen. Dat ziet er veel moeilijker uit dan een verkeerbord verzetten, maar als je in je kistje wél een kettingzaag hebt zitten is een boom vellen ook relatief eenvoudig, terwijl je er geen schroefje mee kan losmaken. Je kan zelfs het verwijt krijgen dat je niet hebt geprobeerd om de schroef er maar met een hamer uit te draaien… Terwijl de politicus die bij de verkiezingen de schroevendraaier heeft gekregen (van diezelfde kiezer) soms zelfs aan de kritiek ontsnapt.

Het verhaal van de Heikantse frituur heeft me nog eens diep in mijn instrumentenkist doen kijken. We hebben er al veel uitgehaald in de loop der jaren. Geert is ook met een aantal mensen daar gaan praten, en we hebben hen allemaal een brief gestuurd om onze mening en onze acties toe te lichten. Ik zoek nog eens in het kistje, maar een kettingzaag of sloophamer ga ik zeker niet tegenkomen…

(PS aan een anonieme briefschrijver : ik wil gerust ook op een aantal andere vragen en voorbeelden ingaan ; stuur me bijvoorbeeld een mail via een anoniem hotmailadres, waarop ik dan kan antwoorden)

Lente

Lente

Mijn werkgever stuurde me naar Praag. Nu, dat klinkt wat onvrijwillig : laten we zeggen dat mijn werkgever en ik het erover eens waren dat ik dezer dagen in Praag moet zijn. Om alhier het aangename aan het nuttige te paren.

Ik was er nog nooit geweest en dus heeft de stad het effect dat ze op elke nieuwe bezoeker heeft : ik ben onder de indruk. Praag is een zeer Middeneuropese stad, die me aan Boedapest doet denken. Een ook aan Dresden, want de Moldau en haar oevers hebben meer het gezellige van de Elbe dan het majestatische van de Donau. Ik herken er ook iets van Wenen en van Krakau in : de Habsburgers zijn daar uiteraard niet vreemd aan. Zoals telkens in het voormalige Oostblok ben ik er trots op dat hier onze blauwe vlag met gele sterren wappert. Met de uitbreiding van de EU is een historische vergissing rechtgezet. Iemand zou het de Ieren moeten vertellen.

Alleen in een stad rondwandelen heeft natuurlijk nadelen : je kan je ervaringen niet echt delen, en een terrasje is om snel iets te drinken. Maar het heeft ook voordelen : je kan heel veel doen. Een museum/tentoonstelling of zes haal je wel op een dag. Waarbij zowel “must see” als het toeval een leidraad kan zijn. Dat laatste trok me naar een brochure met als titel “Bruselský sen”, waarbij het eerste woord inderdaad naar onze hoofdstad bleek te verwijzen. Een tentoonstelling in Praag over de Tsjechoslovaakse inbreng op Expo ’58. Terwijl dat hele Expogedoe me op zich niet zoveel zegt (eigenlijk moet ik nu schrijven : “niet zoveel zei”). Ik ken er de politieke betekenis voor België van, en dat leek me voldoende. Maar dat net die Expo blijkbaar ook elders niet zomaar onopgemerkt was voorbijgegaan, drong pas hier tot me door. Het maakte me nét nieuwsgierig genoeg om de bovenverdieping van de bibliotheek te gaan zoeken. Maar ik wist bijvoorbeeld niet dat de wereldtentoonstelling van 1958 de eerste na die van 1939 was – en vind het nu gek om dat niet weten toe te moeten geven.

In 1958 blaakten zowel de Belgische als de Tsjechoslowaakse eenheidsstaten (zaliger gedachtenis, beide) van zelfvertrouwen, dat een decennium later in de lente zou uiteenspatten in de straten van Praag en Leuven. Toch hielden de twee op de Expo ook al een stuk façade op. De ene voor mij zeer herkenbaar, met opschriften in een soort plechtstatig gekunsteld Nederlands, keurig na het Frans. Met een grondplan met alle Paviljoenen dat ik nog nooit voor me had gezien, maar dat een Belgique à papa opriep dat ook ik in de lagere school nog in de late jaren 1970 nog kreeg gepresenteerd – en dat ik niet verwachtte aan de Moldau te herontdekken.

Het andere, Tsjechoslovaakse, beeld dat ik uit de geschiedenisboeken van het communisme ken. En dat ondanks alles net iets meer op mensenmaat bleek dan het Sovjetpaviljoen. Met een jaren ’50-design dat Europa toen veel meer verenigde dan het wilde weten, overigens : de kopjes en de stoelen die in onze huizen (die van onze ouders) stonden, hadden soortgenoten achter het IJzeren Gordijn. De kunstwerken die in het Westen werden gemaakt, bleken perfect aan te sluiten bij de tijdelijke relatieve openheid van het Oost-Europese communisme. In die mate dat er sprake was van een “Brusselse stijl” in Tsjechoslovakije, compleet met ná de Expo gemaakte schilderijen van het Atomium.

Omwille van enkele technische hoogstandjes (en wat voor de Belgen wellicht ook sterk meetelde : het gewaardeerde restaurant) was het paviljoen van de Tsjechoslovaakse Socialistische Republiek een topper waar de Expobezoekers voor in de rij stonden. Gek genoeg blijkt na 50 jaar een stuk van die aantrekkingskracht te zijn behouden, zo heb ik ondervonden. Bevreemdend.