Archief van
Categorie: Essen politiek

Vive la Flandre

Vive la Flandre

11 juli is de voorbije jaren uitgegroeid tot een elfdaagse die op 1 juli begint. Een goed concept, dat ook in Essen aanslaat. Het programma zag er in onze gemeente dit jaar veelbelovend uit, en slaagde (voor zover ik het heb meegemaakt) ook in dat opzet.

De “officiële” viering op 6 juli had de klassieke ingrediënten, waarvan ik er sommige al meer kan smaken dan andere. Ik vermoed dat er veel gelegenheidsbezoekers waren (en dat is positief) omdat nogal wat mensen bleven zitten tijdens het zingen van het Vlaamse volkslied (dat heb je in een land zonder volksliedcultuur, het zou de Fransen of Amerikanen nooit overkomen).

Op 11 juli zelf stond “Essen zingt !” op het programma. Het is niet gemakkelijk om mensen aan het zingen te krijgen. Bovendien is het terrein achter de Oude Pastorij niet de beste locatie (en niet alleen omdat het daar al snel “Essen zinkt !” wordt) : zingen vergt een groepsgevoel, en daarvoor moeten mensen ook fysiek dicht bij elkaar staan. Maar verder zat het perfect in elkaar, zodat het naar mijn aanvoelen toch een succes werd. Al werd de oudere generatie misschien wat afgeschrikt door het voorprogramma (het energieke en sympathieke jonge grut van Gutz), dat misschien beter de dag nadien zou zijn geprogrammeerd.

De afsluiter kwam er met Axl Peleman op zaterdag, die een aantal gasten meebracht (waaronder de lokale helden Raf Walschaerts en Nathalie Delcroix), voorafgegaan door de al even lokale heldin Cerys – dochter van een kwisploegcollega, dus extra leuk om in actie te zien. Peleman speelde ook op het congres waar de VlaamsProgressieven werden gedoopt. Daar maakte hij indruk op mij, en hij bewees ook gisteren dat hij het hart op de goede plaats heeft. Wie bovendien in Mia een heerlijke zin kan verwerken als “Mensen lak ga vinde overal, oep de Peirdemert en oep de Luchtbal” zit sowieso goed. Zijn lied over het Kiel is trouwens zowat het minst prekerige en daardoor politiek wellicht één van de meest relevante songs over het multiculturele land waarin we wonen.

Dit is het soort feestdag waar ik van droom, voor het Vlaanderen zoals ik het graag zie : met vertrouwen in zichzelf, maar ook met zelfrelativering en een open blik op de wereld. Toch jammer dat “Essen zingt !” het zonder het enige geprogrammeerde nummer in het Frans moest doen. Niet zozeer omwille van “Les filles du bord du mer” op zich, al is dat een prachtig lied. Maar een Vlaanderen waarin ten zuiden geen Frans wordt gesproken zal altijd een te klein Vlaanderen zijn. Al was het maar omdat op één of andere manier Brussel voor mij ook volgende week nog voor een stuk bij Vlaanderen moet horen – en zeker omdat ik de dag niet wil meemaken dat bij internationaal gevalideerd referendum een staatsgrens onder Londerzeel wordt getrokken.

Hopelijk valt er op 15 juli óók iets te vieren, waarvoor zowel de leeuw als de haan op hun respectievelijke vlaggen mogen klauwen.

Op een briefje

Op een briefje

Een pennenvrienschap moet onderhouden worden, en dus heb ik me nog eens tot het schepencollege gericht. Dat gebeurt wel meer, maar omdat de brief over de frituur van Heikant gaat waar ik in één van de vorige tekstjes naar refereerde, kan je deze brief hier vinden. Zoals altijd ben ik bijzonder benieuwd naar de antwoorden.

Naschrift 1: In de brief stel ik voor om met een buurtbemiddelaar te werken, die is aangesteld door het gemeentebestuur. Dat lijkt me noodzakelijk omdat zo iemand op een professionele manier zou kunnen bemiddelen, als neutraal zou worden aanzien, en bovendien met een uitdrukkelijk mandaat van het bestuur ook sterk genoeg in de schoenen zou staan.

Naschrift 2: Ik kreeg in de marge van het frituurverhaal het verwijt dat er vanuit onze fractie tegen bepaalde slechte beslissingen geen klacht werd ingediend bij de gouverneur of de minister.

Nu heeft er de voorbije 15 jaar niemand in Essen zoveel klachten mee uitgewerkt en/of ingediend als ik. Er komt zelf niemand nog maar in de buurt volgens mij (niet dat ik daar trots op ben, overigens). Maar het heeft geen enkele zin om klacht in te dienen tegen een beslissing als de procedure correct is gevolgd en er geen wetten worden overtreden, hoe slecht de beslissing zelf ook zou zijn. De aanleg van het Heuvelplein is daarvan een voorbeeld. Dossiers waarin formeel nog zo goed als niets is beslist (de nieuwe sporthal, om maar wat te noemen) lenen zich al evenmin tot een klacht – dat kan altijd nog komen. De klacht is een instrument als alle andere die in de oppositiegereedschapskist zit : bijzonder geschikt in bepaalde gevallen, volstrekt zinloos in andere.

We kunnen het niet altijd maken

We kunnen het niet altijd maken

Zoals de klusser beschikt ook de politicus over een instrumentenkist. Daarin zitten geen hamers en schroevendraaiers, maar wel allerlei procedures en mogelijkheden om via de publieke opinie te proberen om het beleid bij te sturen. Welke instrumenten erin zitten, hangt af van je mandaat en van de politieke situatie. Ermee omgaan is iets dat je moet leren, net zoals een hamer al wat handiger om te hanteren is dan de kettingzaag, zelfs als beiden in het kistje zitten.

Het is eigen aan de politieke instrumentenkist dat niet iedereen alle mogelijke gereedschappen heeft gekregen (als dat wel zo is, noemen we dat een dictatuur). Zo kan een parlementslid voorstellen indienen en vragen stellen, maar geen koninklijke besluiten uitvaardigen. Een minister kan dan weer niet zomaar op zijn eentje een Europese richtlijn veranderen. Daarvoor kan alleen een Eurocommissaris het initiatief nemen. Als de minister vindt dat een richtlijn veranderd moet worden, kan hij proberen daarmee naar de pers te stappen. Maar als het een beetje technisch wordt, dan haakt Het Laatste Nieuws wellicht al snel af. En overigens, bij de Commissie lezen ze eerder The Financial Times. Probeer dáár maar eens in te raken… Minister zijn is dus vaak een beetje frustrerend. Maar dat hoort bij een democratie.

Op het lokale niveau is het net zo. Een oppositieraadslid heeft heel wat mogelijkheden. Je kan vragen stellen waarop het schepencollege moet antwoorden (per brief of mondeling), je kan allerlei dossiers inkijken, voorstellen indienen en tussenkomen op de gemeenteraad of in een commissie. Je kan eventueel een klacht indienen bij de gouverneur of de minister. Maar je kan natuurlijk ook gesprekken voeren met mensen binnen en buiten de politiek. Je kan persberichten maken, petities starten, een website opzetten…

Anderzijds kan je niet rechtstreeks een punt in het schepencollege aanbrengen, want daar zit je niet bij. Besluiten over een bouwvergunning bijvoorbeeld kan je niet echt mee sturen. Je kan er niet veel aan doen als je voorstel door de meerderheid wordt weggestemd. Je kan vaak ook alleen maar vaststellen dat sommige persberichten niet in de krant komen, of dat een nochtans heel terechte vraag in dovemansoren valt. Het komt er voortdurend op aan om met de instrumenten die je hebt het maximale resultaat te bereiken.

Elk probleem vraagt om een verschillende aanpak, en sommige zijn ook eenvoudiger aan te pakken dan andere vanuit de oppositie. Iets onder de aandacht brengen, op de agenda zetten, is vaak redelijk eenvoudig. Eerder “technische” onderdelen van een besluit bijsturen is ook niet zo lastig. Om mee een visie uitzetten voor iets dat op wat langere termijn moet worden aangepakt, is er vaak meer ruimte dan je ook zelf zou denken. Een latent slecht beleid (de forfaitaire huisvuilbelasting zoals die tot voor enkele jaren bestond) kan je langzaam ondergraven in de hoop dat het bouwwerkje ooit instort. Een beslissing die men niet wil nemen kan je blijven onder de aandacht brengen (de sportvloer, bijvoorbeeld, maar ook de komst van windmolens in De Rijkmaker) totdat men door de knieën gaat.

Veel moeilijker is het ombuigen van een duidelijk voornemen, zoals de bouw van een sporthal in het Sportpark. Zelfs een goed onderbouwd en gedocumenteerd alternatief is dan meestal niet voldoende. Quasi onmogelijk wordt het wanneer het resultaat van dat soort voornemen dan ook juridisch vaststaat. Helemaal ondoenbaar, als het al wenselijk is, is het terugdraaien van de fysische realiteit : de heraanleg van het Heuvelplein is een slechte zaak geweest, maar het lijkt me niet zinvol energie te steken in een poging om het opnieuw uit te breken. De weekendzone was destijds beter bos gebleven, maar met die vaststelling kan je nu geen kant meer uit.

Sommige gereedschappen zitten niet in de kist, en een boom omhakken met een nijptang kost ontzettend veel tijd en verloren energie. Andere instrumenten hebben een terugslag : het is erg lastig om uit te leggen dat je vóór goedkope woningen bent maar toch tégen bepaalde appartementsgebouwen. Anderen kunnen dat heel gemakkelijk uitleggen alsof je tegen betaalbaar wonen bent. Voor je eraan begint, denk je dus best even na of je niet op je eigen vingers gaat slaan. Niet omwille van de pijn op zich. Maar als je in het gips zit, kan je helemaal niets meer.

Dat is niet altijd gemakkelijk om uit te leggen aan de burger-kiezer. Je kan als gemeenteraadslid heel hard pleiten om een bepaald verkeersbord te verplaatsen, maar als uiteindelijk het schepencollege beslist om dat niet te doen, dan kan je het niet uitgraven. De kans op een persartikel over dat ene bord is niet zo groot : voor de krant is het (wellicht volkomen terecht) geen prioriteit. Een petitie haalt misschien twintig handtekeningen, waarvan vijf “verdacht” omdat de betrokkenen helemaal niet in de buurt wonen. Tien brieven naar het college halen niet meer uit dan één, en zolang het bord een wettelijk type is kan je bij de gouverneur ook niet terecht. Maar de burgers kunnen wel de indruk krijgen dat je veel zegt of schrijft, maar niets voor hen hebt gedaan. Al heb je er alles samen uren tijd in gestopt (dat heb je wellicht graag gedaan, want zoals het invullen van de belastingaangifte me herinnerde : politiek is een hobby).

Maar de mensen zien vaak alleen dat je het bord niet hebben kunnen verplaatsen, terwijl dat voor hen nu net geen moeilijk verhaal leek. Dat gevoel versterkt nog, als je er de daaropvolgende maand wél in slaagt om een belasting te laten afschaffen. Dat ziet er veel moeilijker uit dan een verkeerbord verzetten, maar als je in je kistje wél een kettingzaag hebt zitten is een boom vellen ook relatief eenvoudig, terwijl je er geen schroefje mee kan losmaken. Je kan zelfs het verwijt krijgen dat je niet hebt geprobeerd om de schroef er maar met een hamer uit te draaien… Terwijl de politicus die bij de verkiezingen de schroevendraaier heeft gekregen (van diezelfde kiezer) soms zelfs aan de kritiek ontsnapt.

Het verhaal van de Heikantse frituur heeft me nog eens diep in mijn instrumentenkist doen kijken. We hebben er al veel uitgehaald in de loop der jaren. Geert is ook met een aantal mensen daar gaan praten, en we hebben hen allemaal een brief gestuurd om onze mening en onze acties toe te lichten. Ik zoek nog eens in het kistje, maar een kettingzaag of sloophamer ga ik zeker niet tegenkomen…

(PS aan een anonieme briefschrijver : ik wil gerust ook op een aantal andere vragen en voorbeelden ingaan ; stuur me bijvoorbeeld een mail via een anoniem hotmailadres, waarop ik dan kan antwoorden)

Vereiste

Vereiste

Als ik een brief stuur naar het schepencollege, dan wil ik daar binnen de termijn, die één maand bedraagt, een antwoord op. Als ik vraag om stukken klaar te leggen, dan reken ik er ook op dat die -een uitzondering niet te na gesproken- op tijd worden klaargelegd. Als ik lees dat er iets ter inzage ligt, dan wil ik dat ook zonder al te veel zoeken kunnen inzien. Als ik een voorstel indien dat naar de commissie wordt verwezen, dan moet dat wat mij betreft ook op de agenda van die commissie staan en naar de leden worden verzonden. Als er in een reglement staat dat bepaalde verslagen naar mij moeten worden verstuurd, dan vind ik het niet normaal dat ik ernaar zou moeten vragen.

Ik kan natuurlijk wel begrijpen dat er af en toe iets tussen de mazen van het net ontsnapt, maar mijn geduld en begrip zijn verre van eindeloos. Ik kan me inbeelden dat die houding al eens arrogant kan overkomen, bij mijn collega-politici, maar vooral bij ambtenaren. Wat heb ik, die nu en dan in het gemeentehuis kom, immers de pretentie dat zij, die er elke dag werken, het mij zo gemakkelijk mogelijk te maken om me met hun werk te bemoeien ? Waar ik per definitie minder van afweet dan zij… Ik besef dat ik, en met mij ook een aantal actieve collega-raadsleden, dat effect al eens kunnen oproepen. In de vorige legislatuur heeft een schepen onze fractie zelfs verweten dat we zoveel stukken opvragen, want dat geeft alleen maar werk aan de mensen die ze moeten klaarleggen en achteraf terug moeten klasseren. Vanuit mijn professionele achtergrond kan ik me dat soort reacties zelfs goed voorstellen, en ik ben er ook zelf in die context niet immuun voor.

Maar ik kan het niet helpen. Meer nog, ik mág het niet helpen. Als ik stukken opvraag, brieven schrijf of met voorstellen aan de slag ga, dan doe ik dat in naam van de 17.000 Essenaren in het algemeen en de kiezers van N-VA/PLE in het bijzonder. Dat ik, Tom Bevers, niet zoveel noten op mijn zang moet hebben, vind ik zelf eerlijk gezegd ook af en toe. Zoals wellicht veel mensen streef ik persoonlijk naar enige bescheidenheid (en zoals bij wellicht veel mensen lukt dat niet altijd). Maar binnen de context van de gemeenteraad heeft de kiezer niet veel aan een raadslid dat niet op zijn of haar strepen staat. Als ik dus af en toe arrogant overkom, beste collega-politicus of collega-ambtenaar, dan doe ik dat min of meer tegen wil en dank. Maar ik kan moeilijk anders, omdat de Essenaar-kiezer uiteraard wél verdient dat het hele gemeentelijke apparaat voor haar of hem altijd klaarstaat en doet wat er wordt verwacht. En hun rechten opeisen heeft niets te maken met arrogantie, maar met een minimum aan respect. Dus vrees ik dat ik ook in de toekomst af en toe gezucht zal veroorzaken. Maar dat ligt, echt waar, niet aan mij. Ik kan niet anders. En ik zal proberen niet te overdrijven. Tenzij het niet anders kan. OK ?

Onafwendbaar

Onafwendbaar

Om nog even terug te komen op de gemeenteraad van vorige week…

Na mijn eerste “echte” gemeenteraad, de installatievergadering dus niet meegerekend, schreef ik hier het volgende : Het voorstel dat Katrien en ik hadden ingediend over de gemeentelijke sociale toelagen heeft het bij de stemming niet gehaald. De discussie erover liep zoals ik ze had verwacht, maar was toch leerrijk. Nu, met de afwijzing is uiteraard de eerste stap gezet naar de onafwendbare realisering van het voorstel.

Dat ging over dit voorstel. Vorige week hebben we het lokaal sociaal beleidsplan goedgekeurd. Op blz. 110, onder punt 7.3., blijkt nu dat ons idee toch zal worden gerealiseerd. Of hoe (on)voorspelbaar politiek kan zijn…

The postman always rings twice

The postman always rings twice

We hebben er een pennenvriend bij. Altijd leuk, natuurlijk. “We”, dat is in dit geval de gemeenteraadsfractie van N-VA/PLE. En ons nieuwe vriendje is het schepencollege. In plaats van in de gemeenteraad te antwoorden op onze vragen, gaan ze ons brieven sturen. Dat zou ik natuurlijk ook doen, een brief maken, als ik vragen kreeg die uit de lucht kwamen vallen, waarvoor informatie moet worden opgezocht of waar eens goed over moet worden nagedacht.

Maar onze vragen kwamen niet uit de lucht vallen. Kevin stelde een vraag over het Boomkleverpad in Horendonk. Die had hij ook vorige maand al gesteld. Op zijn bank lag zelfs een “antwoord” van het college, bestaande uit twee woorden : “waarvan akte”. Je zou dan toch kunnen verwachten dat het college na een maand bedenktijd wéét wat het wil doen met dit straatje : de inwoners vragen om te leren leven met de putten, of het wegdek een beetje fatsoeneren. Geen grote ideologische kwestie. En ook technisch moet het zelfs zonder studiebureau haalbaar zijn. Maar neen, Kevin krijgt een brief. Hoogstwaarschijnlijk met een half antwoord. Waar hij dan volgende maand op kan terugkomen. Als het antwoord er dan al is : ik heb ooit maanden moeten wachten op het antwoord op een brief over een brandweerwagen die te laat was geleverd (ik weet het : een zaak van staatsbelang die de nodige voorzichtigheid vraagt; maar toch…). En daarna krijgt hij wéér een brief, vermoed ik. Tot het “wegdek” van het Boomkleverpad niet meer zichtbaar zal zijn.

Zelf herinnerde ik aan mijn vraag van enkele maanden geleden over de Molenakkerstraat. Ik had voorgesteld om daar parkeervakken te schilderen. Ik kreeg ook geen antwoord, en heb ook in het collegeverslag trouwens geen spoor van een bespreking teruggevonden. Ik vermoed dat het advies van de Raad van State, de Raad van Europa of van de NASA is gevraagd, want anders snap ik niet dat een eenvoudige vraag van een raadslid zolang nodig heeft om door te dringen tot het college.

Er zijn maar drie mogelijkheden. Ofwel is dit college lui en slordig. Ofwel is het niet geïnteresseerd in kleine akkefietjes waar de Essenaar van wakker ligt en richt het zich uitsluitend op grote strategische projecten. Ofwel heeft het CD&V/sp.a-college zoveel minachting voor de raadsleden (de 19 van de 25 verkozenen die géén uitvoerend mandaat hebben maar per definitie het merendeel van de kiezers vertegenwoordigen) dat ze onze vragen actief en bewust negeren. De tweede mogelijkheid is de minst erge, al zou ze van een bijzonder hautaine houding getuigen. Maar dan zouden we dus vooruitgang moeten zien in die strategische projecten. Wat niet het geval is. De derde mogelijkheid is fundamenteel ondemocratisch, en dat geldt des te meer voor een college dat niet eens de meerderheid van de kiezers achter zich heeft. En de eerste optie behoeft geen commentaar. Of is er toch nog een andere verklaring ? Misschien kunnen ze zelf antwoorden. Met een brief ?

Kortsluiting

Kortsluiting

Deze morgen woonde ik beroepshalve de voorstelling van de economische vooruitzichten van het Federaal Planbureau bij. Naar het hoofdstuk arbeidsmarkt heb ik dus vooral met professionele oren geluisterd, maar in het algemeen werd vooral de economist in mij geboeid. En wanneer het over de energieprijzen ging, ook het gemeenteraadslid. Het Planbureau wijt het feit dat de inflatie hoger oploopt in ons land dan in de buurlanden aan de energieprijzen, en een deel daarvan wordt verklaard door de hogere tarieven die de netbeheerders aanrekenen.

Vorige week was ik de enige Essenaar op een toelichting die door de intercommunales IGAO, IVEKA en IKA werd gegeven over hun werking. IGAO en IVEKA zijn netbeheerders, IKA is een financieel vehikel dat alles aan elkaar bindt.

Ik heb er veel bijgeleerd. Ik begrijp vooral nog beter dan voordien waarom de Vlaamse overheid van de gemengde intercommunales, samenwerkingsverbanden waarin naast de gemeenten ook bedrijven als Electrabel of Distrigas zitten, vanaf wil. Ook de zuivere intercommunales (zonder die bedrijven) zijn geen heiligen, natuurlijk. Maar dat zowel bepaalde bedrijven als een geheel overheidsniveau (het lokale) eigenlijk belang hebben bij niet al te lage energieprijzen, lijkt me geen gezonde toestand. Het is nu eenmaal aantrekkelijk de burger te laten betalen via de elektriciteitsfactuur in plaats van via de transparante weg van het belastingtarief. Op de factuur staat geen gemeentelijk logo. Maar dat maakt dat lokale bestuurders wel dubbel spel (moeten) spelen.

Historisch gegroeid allemaal, ik weet het wel. Maar ondertussen is het een kluwen van organisaties en structuren waarin een kat haar jongen al lang niet meer terugvindt. Ik geef eerlijk toe dat het ook voor een raadslid dat probeert er inzicht in te krijgen en daar ook aan werkt, allemaal niet zo evident is. Democratisch is dat dus niet echt verantwoord. In heel veel gevallen worden dan ook beslissingen genomen omdat ze zo door de intercommunales, en dus in een aantal gevallen ook door Electrabel en C°, worden voorgekauwd. Door raadsleden, maar ook door hele gemeentes, daarvan ben ik overtuigd. Zolang de opbrengst maar goed is (of beter : zolang de intercommunale maar kan uitleggen dat de opbrengst goed is, de gemeente kan dat toch niet echt beoordelen).

Essen zit met haar elektriciteit bij IVEG, dat een zuivere intercommunale is. Misschien moeten we daar ook voor de gaslevering naar overstappen (al begrijp is sinds vorige week beter waarom ze ons niet zomaar zullen willen laten gaan). Dat Essen daarvoor beroep doet op een externe deskundige, lijkt me ook alsmaar logischer. Maar ik heb het gevoel dat er in deze sector heel wat fundamentelere vragen moeten worden opgelost dan de keuze voor een gasleverancier in Essen, zoals ook het Electrabelverhaal dat onlangs in het nieuws kwam aantoont (waarbij certificaten die men gratis had verkregen toch werden doorverkocht aan de klanten). Soms vraagt goed bestuur niet alleen om de winkel open te houden, maar ook om moeilijke knopen door te hakken. Ook al liggen die knopen niet in een touw, maar in elektriciteitsleidingen, en zou dat wel eens flink kunnen knetteren.

Wie kent de oplossing ?

Wie kent de oplossing ?

Vrijdagavond organiseerde het NKWV een informatie-avond over de stand van zaken in het pilootproject omtrent de weekendzones. De provincie Antwerpen werkt namelijk een scenario voor de weekendzones uit op basis van drie pilootgemeenten : Essen, Wuustwezel en Herselt. Dat de provincie deze rol vervult, komt doordat zowel het hogere (Vlaamse) als het lagere (gemeentelijke) niveau het voorbije decennium de hete aardappel probeerden door te schuiven. Zodat die patat ergens tussen beide in is beland.

Opmerkelijk genoeg heeft de provincie niet alleen de handschoen opgenomen, maar ze heeft ook niet geaarzeld om de hand daarna in het politieke wespennest te steken (wellicht in de overtuiging dat de handschoen sterk genoeg is…). Begin december maakte de bestendige deputatie een duidelijke maar relatief onverwachte keuze : ze besloot om het “uitdovend woonrecht” als uitgangspunt aan te nemen. Het uitgangspunt is dat permanent wonen in een weekendzone verboden blijft, maar al wie er nu woont (als eigenaar of huurder) mag toch blijven. De meest verwachte keuze vanuit de betrokken gemeentes was wellicht de omvorming van de meeste weekendzones tot een “recreatieve woonzone” geweest : permanent wonen mag dan, maar er blijven bepaalde beperkingen op het vlak van bouwoppervlakte, materiaalkeuze… Dat is ook de keuze die de gemeente Essen voorstelt in het Ruimtelijk Structuurplan.

Ik wil even ingaan op het “uitdovend woonrecht”. Op mijn computer staat een Word-document dat voor het eerst werd opgeslagen op 2 februari 1996. Het gaat om een standpunt van de toenmalige VU over de weekendzones, ondertekend door de afdelingsvoorzitter (dat was ik). De tekst vertrekt vanuit het principe van het uitdovend woonrecht, al heette dat zo nog niet. Vanuit de tekst werd er met de toenmalige CVP onderhandeld, vooral met Herman Sukerbuyk. In de compromistekst uit 1998 die daarvan het resultaat was, kreeg het kind de correcte naam : uitdovend woonrecht. Ongetwijfeld hebben we het concept niet zelf bedacht, maar als keuze voor Essen waren we wellicht toch de eersten die ervoor pleitten.

Ben ik dan nu blij met deze keuze van de provincie ? Toch niet helemaal. De voorbije tien jaar was de weekendzone immers op bepaalde ogenblikken de enige mogelijkheid voor jonge Essenaren om nog een betaalbare bouwgrond of woning te vinden. Onder druk van de woonmarkt en het falende woonbeleid ontstond extra vraag naar weekendwoningen. Een bijkomende vraag waardoor de prijzen overigens ook in de weekendzone behoorlijk stegen. Is het in die omstandigheden rechtvaardig om mensen die in verhouding niet echt veel goedkoper bouwden dan woonzonebewoners nu in hun woonrecht te beperken ?

Het hele dossier is een Gordiaanse knoop die tien jaar geleden nog redelijk “doorhakbaar” was, en waarvoor we toen bereid waren onze verantwoordelijkheid te nemen. Wie toen is teruggedeinsd, moet vandaag maar de gebakken peren trachten door te slikken. Waarbij het al te gemakkelijk is om als gemeente te stellen tegelijk “le beurre et l’argent du beurre” te willen : een omvorming tot recreatieve woonzone, waarbij de planbaten onze kosten daarvoor moeten dekken en zonder consequenties voor het “woonquotum” (het aantal woningen dat de gemeente mag bouwen). Bekenen binnen de Essense grenzen is dat een rechtvaardige oplossing, die ik mee wil verdedigen (op basis van een correct planbatenstelsel, daar kom ik nog op terug). Maar vanuit de provincie bezien kan dit niet anders dan op een “free rider”-verhaal lijken, dat onrechtvaardig is tegenover de andere gemeenten. Zo bekeken begrijp ik het provinciebestuur overigens wel.

Het Essense gemeentebestuur heeft in de loop der jaren een situatie gecreëerd die maakt dat Essenaren zeer ongelijk worden behandeld. In 1998 was er een mogelijkheid om dat op een vrij behoorlijke manier recht te zetten. Omdat dat niet gebeurd is, is het probleem nog complexer geworden en heeft de mogelijke oplossing van toen sterk aan kracht verloren.

Maar het uitgangspunt blijft voor mij de noodzaak van een rechtvaardige oplossing. Dat betekent voor mij : rechtvaardig tussen alle Essenaren onderling. Dat maakt één of ander systeem van “planbaten”, een meerwaarde op de gebouwde woningen, noodzakelijk. Daarbij zou men rekening moeten houden met de betaalde prijs en de mate waarin de koper destijds als “goede huisvader” had kunnen of moeten weten dat er niet permanent in een weekendzone mag worden gewoond. Het beleid van gemeentelijke en andere overheden is immers dikwijls zó geweest dat je gerust kon veronderstellen dat wonen in de weekendzone ook op langere termijn geen probleem zou zijn. Een systeem van planbaten die op die manier bepaald worden, zou eerlijk kunnen zijn. Elk stelsel dat van een lineair uitgangspunt vertrekt, is dat niet. Elk systeem zonder planbaten ook niet.

Essen moet bovendien weten dat een rechtvaardige oplossing binnen de gemeente niet noodzakelijk combineerbaar is met een rechtvaardige behandeling van gemeenten tegenover elkaar. Dat we in die situatie zitten, is niet mijn verantwoordelijkheid. Ik zal daarom met niet meer of minder tevreden zijn dan een volledig eerlijke oplossing binnen Essen. En ik aanvaard de hogere overheid niet als excuus voor afwijkingen van dat principe : het zijn het Essense wanbeleid in dit verhaal en de oneindige besluiteloosheid die de huidige situatie hebben gecreëerd.

Tenslotte… In de CVP/VU-tekst over het uitdovend woonrecht stond deze zin : “Het statuut van permanent bewoonbaar verblijf kan uitsluitend behouden blijven bij erfenis in rechte lijn en eerste graad, wanneer de begunstigde minstens één jaar voor het overlijden van de erflater ingeschreven was op het adres van het betrokken verblijf.” Mocht men toch doorgaan met het uitdovend woonrecht, dan zou ik dit nog steeds een correcte nuancering van het principe van de niet-overerfbaarheid vinden.

Klokkenluider

Klokkenluider

Essen doet mee aan de actie “Met belgerinkel naar de winkel”. Daar pleiten wij al sinds een aantal jaren voor, maar altijd waren er goede of minder goede excuses om aan de kant te blijven. Nu is Essen er wel bij, en er doen meteen een vijftigtal winkels mee. Een succes dus.

Op zowat de meest zonnige dag van het jaar hebben we met een aantal gemeenteraadsleden de actie “ingefietst”. Er hadden wat mij betreft wat meer meefietsers mogen zijn, maar de fietstocht was allezins gezellig. Gelukkig zijn er in de Essense politiek genoeg mensen actief die zichzelf, hun stokpaardjes, de eigen partij en de onderlinge concurrentiestrijd wat kunnen relativeren en er af en toe de humor van kunnen inzien (dat is trouwens iets heel anders dan het niet ernstig nemen).

De actie probeert mensen aan te zetten om zoveel mogelijk de fiets te nemen om naar de winkel te gaan. Het is een positieve actie, want de automobiele winkelaar wordt niet gestraft. Dat is natuurlijk ideaal, maar jammer genoeg kan het niet altijd zo. Om een milieuramp nog (grotendeels) af te wenden, zullen er ook een aantal harde maatregelen nodig zijn. Hopelijk hebben we (politici op alle niveaus) ook de moed daarvoor te durven kiezen en vóór onze kiezers uit te lopen. Het debat over rekeningrijden en (breder) de autodemagogie van politici zoals de rechtse Verdonk én de linkse Marijnissen in Nederland, en die van Dedecker bij ons, doen me daarbij echter het ergste vrezen.

Maar laat dat vooralsnog geen reden zijn om bij de pakken te blijven zitten en toch maar met de auto naar de GB te rijden. Al is het om maar even de doemklokken met belgerinkel te overstemmen…

Kees

Kees

De vrienden van Groen! reikten vandaag al voor de zevende keer hun “Keesje Mohammed” uit. Die uitreiking is (met stip) het gezelligste evenement op de Essense politieke kalender, en de goede samenwerking in de oppositie was ook een “officiële” reden om er naartoe te gaan. Als enige niet-Groen!e, trouwens. Een beetje jammer.

Keesje ging dit jaar naar “Gezin op de vlucht”, een groep vrijwilligers die zich sinds verschillende jaren inzet voor enkele ingeburgerde Essenaren, die hier niet legaal verblijven. Eerlijk gezegd, toen ze eraan begonnen heb ik ernstig aan de zin van hun inzet getwijfeld (niet aan hun goede bedoelingen, overigens). Ze leken zich te storten in een verhaal zonder perspectief. Als OCMW-raad konden we hen dan ook niet veel bieden (altijd een moeilijk dilemma, maar dat is nu eenmaal de essentie van het OCMW-werk). Maar uiteindelijk bleek hun doorzettingsvermogen sterk genoeg om uiteindelijk toch de oplossing dichterbij te brengen en alvast voor één gezin een definitieve thuis in Essen mogelijk te maken. Een verdiende prijs, dus.

Groen!-volksvertegenwoordiger Meryem Almaci sprak over het asielbeleid, en legde er terecht heel wat zwakke punten van bloot. We denken het ons als samenleving blijkbaar te kunnen permitteren om een pak heel dynamische mensen (dat hebben ze vaak al bewezen) vooral niet aan het werk te willen zetten. Dat is onverstandig, en daarover ben ik het helemaal met haar eens. Maar uiteindelijk, te langen leste, kan een asielbeleid niet zonder één of andere vorm van uitzettingsbeleid (graag zo humaan mogelijk, en uiteraard niet na een jaren aanslepende procedure). Soms denk ik dat de voorstanders van een ander asielbeleid (waar ik bijhoor) dat een beetje over het hoofd zien. Maar -om even kort door de bocht te gaan- de keuze is uiteindelijk tussen een erg open grens en géén sociale zekerheid voor nieuwkomers, of een selectief toelatingsbeleid en een toegankelijke sociale zekerheid. Ik verkies het laatste. Opdat Vlaanderen ook in de toekomst een volwaardige plaats zou kunnen bieden aan Koerden en Rwandezen die hun land ontvluchten : dat zou ik in hun geval ook doen.