Archief van
Categorie: Politiek algemeen

Op een afstand

Op een afstand

Als morgen onze burgemeester iets erg fouts zou vertellen, dan kan ik me inbeelden dat we daar met N-VA/PLE formeel “afstand” van nemen, ook al zou iedereen moeten weten dat wij hem niet verkozen hebben. Als KSJ-KSA-VKSJ in een vlaag van zinsverbijstering iets onverstandigs zou doen, dan voel ik me wellicht ook verplicht om me daarvan te distantiëren, ook al ben ik ondertussen natuurlijk al een aantal jaren niet meer met de beweging verbonden. Aan de andere kant heb ik nog niet de behoefte gevoeld om mij af te zetten tegen het gedrag van de politie in Ferguson. Of tegen wat de “Islamitische Staat” aanricht. Ik heb daar niets mee te maken, en ga ervan uit dat iedereen dat ook weet.

Het blijft een moeilijke vraag : vanaf wanneer hoort iemand uitdrukkelijk te zeggen dat hij niets te maken heeft met wat anderen aanrichten, ook al hebben die anderen “iets” met hem gemeen. Toen onlangs de zoon van Jan Jambon enkele uitspraken deed die niet voor iedereen even verstandig leken, kwam vanuit de sp.a de eis dat de N-VA en de Vlaamse regering daarvan afstand zouden nemen. De EU en de VN bleven buiten schot. Freya Van Den Bossche hield vast aan haar gezond verstand en gaf terecht aan dat vaders (en hun partij) niet verantwoordelijk zijn voor alles wat hun zonen doen en zeggen. Onlangs vroeg Bart De Wever dan weer aan de Moslimexecutieve om afstand te nemen van wat de “Islamitische Staat” aanricht. Die vond dat eerst nogal overbodig, en deed het daarna toch. Het komt vaak terug in het debat, de opmerking dat “de moslims” afstand moeten nemen van de terreur die in naam van de godsdienst die zij ook belijden wordt aangericht. Opvallend minder vaak worden de joden gevraagd om zich te distantiëren van wat de staat Israël fout doen.

Het blijft erg moeilijk, vind ik. We weten toch dat de doorsnee moslim in dit land de IS-praktijken (die overigens vooral moslimslachtoffers maken) absoluut afkeurt ? Zoals “wij” dat doen. Hen oproepen om afstand te nemen geeft toch een beetje aan dat ze ervan verdacht worden om dat niet te doen ? En het blijft toch wringen, om mensen met een bepaald kenmerk ervan te verdenken om -tenzij tegenbericht- alles goed te keuren wat andere mensen met dat kenmerk aanrichten – zoals dit filmpje op een grappige manier duidelijk maakt. Ik ben een Essenaar, maar heb nooit de behoefte gevoeld om me dan maar uitdrukkelijk te distantiëren van één van de moordenaars van Karel Van Noppen, nochtans ook een Essenaar…

Voor organisaties ligt het weliswaar wat anders dan voor individuën. Dat katholieken van vandaag kan je moeilijk de kruistochten aanwrijven, maar dat de Katholieke Kerk er zijn spijt over betuigt lijkt me wel logisch. Net zoals het goed is dat staten hun verontschuldigingen aanbieden voor wat ze bijvoorbeeld in de context van de kolonisatie hebben aangericht. Maar dat hebben ze zelf gedaan. Wat, opnieuw, met wat alleen door (min of meer) “geestesgenoten” wordt aangericht. Moet de Orthodoxe Kerk zich verontschuldigen voor de katholieke inquisitie ? Moet pakweg Zwitserland spijt betuigen over de slavenhandel die door de mede-Europeanen werd georganiseerd ?

Het blijft moeilijk. Iemand oproepen om “afstand te nemen” lijkt me in elk geval iets om met zéér grote voorzichtigheid toe te passen, omdat er sowieso een verdachtmaking achter schuil lijkt te gaan. Ik denk dat in de meeste gevallen mensen of organisaties zelf wel zullen aanvoelen wanneer het beter is om publiekelijk duidelijk te maken waar ze niets mee te maken willen hebben.

Five down, one to go

Five down, one to go

En zo zijn twee maanden na de verkiezingen alle gewest- en gemeenschapsregeringen gevormd. Vijf stuks, drie geleid door een socialist, twee door een regionalist. De Belgische politiek wordt wel eens omschreven als een schaakspel, maar deze keer werd het vooral poker. Op hoog niveau.

In Vlaanderen bereikten N-VA, CD&V en Open Vld elk hun belangrijkste doelstellingen, respectievelijk de regering leiden, een zichtbaar leidende rol spelen op kernbevoegdheidsdomeinen en meebesturen. Of dat allemaal volstaat als cement om echt doortastend te besturen is niet zo duidelijk, maar er zijn ook al regeringen met veel slechtere kaarten vertrokken. Het is wel een beetje bevreemdend dat na jarenlange klachten over de dominante invloed van de PS op de Vlaamse politiek nu de facto de MR over de samenstelling van de Vlaamse regering heeft beslist : het “ja” van Michel voor de federale “Zweedse coalitie” bleek doorslaggevend om Open Vld aan boord te halen.

PS en cdH bereikten aan de overkant van de taalgrens ook hun doelstellingen, “zo links mogelijk besturen” en “relevant blijven”, met als asterisk voor cdH waarvoor het imago van “aanhangsel van de PS” nu toch echt wel zwaar begint te wegen. Maar met het lot van de alweer uitgesloten CSP in de Duitstalige Gemeenschap in gedachten was eieren voor het geld kiezen wellicht toch de beste optie. Wel wetende dat die een federaal avontuur in een centrum-rechtse regering eigenlijk uitsloot, maar daarvoor was het enthousiasme in cdH wellicht op zich nooit erg groot. En de “christen-democratische familie” ? Die is in 2001 door Verhofstadt uit elkaar gespeeld en bestaat alleen nog op (EVP-)papier. Waar Rutten nu zowaar de vruchten van plukt.

Zoals het er nu naar uitziet wordt mijn federale werkgever dus een onuitgegeven N-VA/CD&V/MR/Open Vld-coalitie. Die met ontzettend weinig excuses vertrekt om niet te doen wat er moet gebeuren. En net daarom zou ik het vel van de Zweedse beer nog niet verkopen vooraleer het beest tot köttbullar is verwerkt…

De Staatsman

De Staatsman

En toen overleed toch nog erg onverwacht Jean-Luc Dehaene. De gelukkige “oude dag” die vriend en tegenstander hem ongetwijfeld hadden gegund heeft niet mogen zijn. Jean-Luc, want zo mocht dit land hem noemen, was een gewone wat norse man, maar waarvan iedereen wist dat hij een goed hart had. Dat verklaart wellicht waarom iedereen er nu even stil van wordt. Volgens zowat alle commentaren was Dehaene daarenboven een “groot staatsman, van een vorig tijdperk”. Ik ben het daarmee eens. Maar het blijkt moeilijk uit te leggen waarom, en wat dan wel het verschil zou zijn tussen zijn tijdperk en het huidige.

Voor mij was Dehaene vooral een overgangsfiguur. In de beste zin van het woord : iemand die een weerbarstig schip door woelig weer loodste. Niet zozeer als “ervaren gids”, want hij wist ook niet exact waarheen de vaart dan wel ging. Maar als een kapitein die in de mist een paar meter verder kon zien dan de anderen. Vóór Dehaene was er een tijd waarin kiezers grosso modo bij de partij van hun zuil bleven en waarin bestuurders vertrouwen kregen omwille van hun politieke kleur, hun ervaring in “de beweging” en in het beste geval hun sterke persoonlijkheid. Dehaene werd premier na Zwarte Zondag, de eerste verkiezing waarin een (zij het verwerpelijk) programma echt veel kiezers losweekte bij hun traditionele partij. Hij besloot te proberen het tij te keren door de socio-economische en institutionele hervormingen die onvoldoende doortastend waren aangepakt door te drukken. Met veel loodgieterij, om de belangengroepen aan boord te houden, maar krachtig genoeg om bijvoorbeeld ons land de eurozone binnen te leiden. Hij kreeg de (Waalse) socialisten mee in zijn hervormingen, omdat hij hen ervan kon overtuigen dat die nodig waren om hun machtsbasis te behouden, of minstens dat ze die niet bedreigde. Een zonder meer gigantische prestatie.

Na hem kwam de paars-groene regering Verhofstadt. Die vanuit een veel meer ongebonden aanpak een ander deel van het noodzakelijke hervormingspakket uitvoerde en zo voor mij nog steeds de beste regering van de voorbije 20 jaar werd.

Maar vooral sociaal-economisch groeide het wantrouwen bij met name de PS, die er van langsom –en wellicht terecht– minder van overtuigd raakte dat de sociaal-economische hervormingen van Verhofstadt en Vandenbroucke inderdaad niet zouden raken aan de macht van de eigen zuil. Met Dehaene was er de zekerheid dat op zijn minst het ACW-belang, en dus ipso facto ook dat van de andere zuil, zou worden gevrijwaard. Verhofstadt (“da joenk”) had die gevoeligheid uiteraard niet, en het ACW had bovendien ondertussen eieren voor zijn geld gekozen en zich drastisch geheroriënteerd tot hedge fund voor Dexia. Communautair nog meer dan sociaal-economisch kon het systeem-Dehaene alleen werken door bij elk lek snel een nieuwe buis te plaatsen, en tussendoor af en toe een echt wisselstuk in te brengen – al dan niet “en stoemelings”. Maar Verhofstadt was te veel de man van de grote visie, en deed uiteindelijk liever niets dan energie steken in reeksen kleine reparaties aan het Belgische staatsbestel.

De Paarse partijen wonnen de verkiezingen van 2003, maar de regeringsvorming verliep desastreus. Vanaf toen werd “op de rem staan” de voorkeurstrategie in de Wetstraat. Noodzakelijkerwijs vroeg het gebrek aan inhoud om meer “spin”. Voor mij ligt daar veel meer dan bij het einde van het premierschap van Dehaene een kantelpunt. De rest is geschiedenis, met “Leterme”, “kartel”, “Di Rupo”, “De Wever” en “541 dagen” als kernwoorden.

En Dehaene ? Die moet er het zijne van gedacht hebben. Hij werd af en toe gevraagd om een volgelopen kelder mee te helpen leegpompen. Hij deed daarbij verdienstelijk werk, ook bij Dexia. Maar zijn “systeem” kon hij er niet toepassen, daarvoor was de schade al te groot.

Zijn wijze raad, zijn kennis van waar welke buis juist zit en welke kraan er moet worden opengedraaid, zijn groot hart voor “dit land, zijn volk en zijn leiders”, ze zullen gemist worden. Maar de kelder lijkt meer dan ooit onder water te staan, en er moeten heel wat nieuwe leidingen aangelegd worden. Het tijdperk van de loodgieter is onomkeerbaar voorbij.

In de stemming

In de stemming

Er komen verkiezingen aan. Van een politicus wordt dan een mening verwacht. Dat geldt wellicht ook voor een lokaal politicus. Zeker als die zelf ook twee keer kandidaat is geweest voor een plaatsje in het Vlaams Parlement, al ging het twee keer om een volstrekt onverkiesbare plek op een lijst. In 2009 was ik kandidaat op de lijst van de toenmalige Sociaal-Liberale Partij (SLP). Die heeft het toen niet waargemaakt, ondanks enkele goede peilingen en een redelijke media-aandacht. Ik hoop dat met name de PVDA zich nog niet rijk rekent… Eind 2010 werd de SLP ontbonden. Eigenlijk ging de partij op in Groen, maar daar zijn nauwelijks nog sporen van terug te vinden. Bij de ontbinding schreef ik hier dat ik een Vlaams-progressief sociaal-liberaal zou blijven. Daar neem ik alvast geen woord van terug.

In 2010 trok ik naar het stemhokje zonder partijkaart. Ik deed zoals zovelen de Stemtest en kwam bij blauw, groen en geel uit. Voor iemand die het jaar voordien nog uitgesproken voor een partij koos die niet meer bestond, was het niet zo verbazend dat er geen eenduidig antwoord kwam, natuurlijk. Mijn kleur ontbrak eigenlijk in het palet.

Wat daarvan vier jaar geleden het resultaat is geweest, hoort bij het geheim van de stemming. Ik kan er wel bij vertellen dat ik het rendement van mijn stem niet optimaal vind, nu ik erop terugkijk. Als ik vandaag de Stemtest doe, kom ik opnieuw bij dezelfde drie kleuren uit. Met afwisselend de ene of de andere bovenaan, afhankelijk van het politieke niveau waarover het gaat. Wat me op zich niet zo verbaast. Ik deed overigens ook de Waalse stemtest en was wél zeer verbaasd over het resultaat. Wat ben ik blij dat ik daar niet moet kiezen ! Onlangs bij de gemeenteraadsverkiezingen in Nederland testte ik mijn (fictieve) stem ook. Ik kwam uiteraard bij D66 uit, en GroenLinks dat me een stuk beter ligt dan het Vlaamse Groen eindigde ook dicht bovenaan.

Op 25 mei kiezen we in Vlaanderen, en voor drie parlementen. Op Vlaams en federaal niveau is het wat mij betreft tijd voor een stevige trendbreuk. Niet dat ik mijn zin voor nuance verloren ben : ook in de regering Di Rupo werd door een aantal ministers goed werk verricht. Maar al bij al vind ik het vandaag tijd voor een meer doortastende aanpak. Voor verandering. Om de toekomst veilig te stellen.

Ook voor Europa zijn dit cruciale verkiezingen. Ik heb hier eerder al geschreven dat vanuit Vlaanderen uitstekende kandidaten naar voren worden geschoven. Nieuw is dat dit ook de eerste verkiezingen zijn waarbij de Europese fracties uitdrukkelijk een kandidaat-commissievoorzitter naar voren schuiven : Jean-Claude Juncker voor centrum-rechts (de partijen rond de christen-democraten), Martin Schulz voor de sociaal-democraten en onze Guy Verhofstadt voor de liberalen. De groenen kozen voor een duo (Ska Keller en José Bové) en ook extreem-links schuift een kandidaat naar voor (Alexis Tsipras). Hoewel het niet duidelijk is of Merkel, Sarkozy en Cameron de keuze van de kiezer gaan respecteren –zo die al duidelijk is– er is toch een soort pan-Europees debat ontstaan rond deze kandidaten. Ik vind dat een stap vooruit, al heeft het even geduurd vooraleer ik daarvan overtuigd was. Ik besef wel dat mijn afstand tot de Europese instellingen kleiner is dan voor de meeste kiezers het geval is. Bovendien houdt mijn huidige Europese rol me ook een beetje tegen om openlijk partij te kiezen. Maar de keuze voor een bepaalde fractie in het Europees Parlement en voor een kandidaat-Commissievoorzitter gaat zeker meespelen in het stemhokje.

Tenslotte blijk ik natuurlijk in de eerste plaats een Essens politicus. Maar ook dat speelt natuurlijk een rol. Onze N-VA/PLE-fractievoorzitter staat op plaats 26 op de Vlaamse lijst van N-VA. Ik ken Dirk al zo’n 35 jaar en werk in de politiek al ongeveer 25 jaar met hem samen. Ik blijf dat elke dag opnieuw een voorrecht vinden. Ik kan hem alleen maar aanbevelen.

Ongebonden best

Ongebonden best

Het heeft een tijdje geduurd, maar op weg naar Griekenland heb ik “Ongebonden best” uitgelezen, de biografie van Nelly Maes. Mijn lectuur werd onderbroken doordat ik het boek van een ander Oost-Vlaams politicus op mijn tafel vond : “Een zuil van zelfbediening” van Peter Dedecker vroeg erom om in één keer te worden uitgelezen. Ik kende ondertussen het verhaal, al biedt een boek natuurlijk de kans om wat systematischer te verwerken. Het besluit blijft hetzelfde. Ondanks het (stevige) generatieverschil herken ik gelijkenissen tussen Peter en Nelly, in stijl en ook in inhoud. Volgens mij zouden ze het over heel wat zaken eens kunnen worden.

Maar het vliegtuig naar Athene bleek lang genoeg onderweg om het boeiende verhaal van een gedreven feministe, Vlaams-nationaliste en sociaal-liberaal te lezen. Met een rechtlijning parkoers doorheen een soms bochtig Vlaams politiek landschap. Die tot mijn grote vreugde op de 11 juliviering van 2011 in Essen te gast was – bij die gelegenheid heb ik haar hier nog eens deel van mijn “politiek kompas” genoemd, zoals ik dat bij het einde van de SLP deed.

Ik las in het boek dat ze in 2010 een bord van N-VA en één van Groen in haar tuin zette. Ik heb altijd dezelfde partijkaart – of géén kaart – op zak gehad als Nelly Maes, en begrijp bijzonder goed hoe dat dan zo gekomen was. Een aantal maanden geleden vond ik toevallig haar steunbetuiging op Facebook aan Zuhal Demir, N-VA-kamerlid en districtsvoorzitster in Antwerpen. Dat laatste in een coalitie met Groen en Open Vld. Dat lijkt me dan weer geen toeval.

Ik weet het niet zeker, maar het zou me niet verbazen dat Nelly op 26 mei opnieuw voor N-VA en (zeker voor Europa) Groen kiest. Ik deel in elk geval haar bekommernis voor de toekomst van de Europese Vrije Alliantie, het samenwerkingsverband van regionalistische/nationalistische partijen in het Europees Parlement. Ik blijf vinden dat ze meer waardering verdient voor de manier waarop ze voor Vlaamse continuïteit in die Alliantie heeft gezorgd – en hoop dat iemand zich om haar erfenis bekommert na 25 mei.

Het boek is boeiend, ook al omdat het mensen aan het woord laat die vanuit verschillende invalshoeken met haar hebben samengewerkt. Maar vooral omdat het een verhaal is over ontvoogding. Als vrouw stond ze vaak alleen in de VU, als Chiroleidster werd ze door de katholieke zuil aangekeken op haar Vlaams engagement, als consequent Europeaan en democrate liet ze de Commissie vallen (en ze is het enige Europese Parlementslid dat met recht en reden dát op haar CV kan schrijven), als politica die niet van haar lijn afweek eindigde ze uiteindelijk zonder partij.

Ongebonden best ? Een mooie titel, al beseft ze wellicht zelf dat je een politiek verhaal uiteindelijk met een groep schrijft.

Nelly Maes hoort onomstreden thuis in het rijtje van politieke vrouwen die een verschil hebben gemaakt. Met Miet Smet, Paula D’Hondt, Annemie Neyts. In die rij is ze de meest tegendraadse, minder staatsvrouw, maar méér politica. Een “grande dame”. Soms mag dat zelfs in het Frans worden gezegd.

Op rapport

Op rapport

De verschillende kranten hebben zich de voorbije weken nuttig gemaakt door een rapport van onze parlementsleden te publiceren. Veelal een nuttige oefening, met resultaten die de subjectieve inschatting die ik als geïnteresseerde burger en federaal ambtenaar ongeveer bevestigen, en toppers als Lode Vereeck, Kristof Calvo, Peter Dedecker, Wilfried Vandaele, Bert Anciaux, Guy Verhofstadt, Marianne Thyssen, Mieke Vogels…

Al vind ik het oordeel af en toe te streng (en lijkt De Morgen mij een rechtvaardiger oordeel te vellen dan De Standaard). Om drie redenen : vaak is het te veel gebaseerd op de media-aandacht die het parlementair werk oproept, terwijl dat niet noodzakelijk overeenstemt met de kwaliteit. Daarnaast wordt het vertekend door de relatieve onmacht van onze parlementen (op het Europese na !), waar als individueel lid niet zoveel aan te doen is. Tenslotte zit de verhouding tussen de waardering voor inspanning en resultaat niet altijd juist. Maar hoewel ik het niet helemaal met de criteria eens ben, het oordeel lijkt me vaak al bij al accuraat. Waarna blijkt dat politieke partijen degelijk parlementair werk niet altijd belonen bij het opmaken van de verkiezingslijsten. Ook dat zegt veel over de onmacht van de parlementen.

De rapporten kenden we al. Daarnaast brengt deze campagne ook pogingen om meer „fact checks” uit te voeren op wat politici beweren. Om programma’s door te rekenen ook, in afwachting dat een officiële instantie dat zal doen (ik zou niet graag die instantie zijn, maar dit terzijde). En om de funderingen van partijen in beeld te brengen. Ik vind het nuttig dat de media op die manier hun rol proberen te spelen. Zolang ze maar beseffen dat het hun taak is de kiezer te informeren en te helpen, niet om de kiezer te leiden. Maar eigenlijk denk ik dat we daar in Vlaanderen niet over mogen klagen. We hebben geen Sun en zeker geen Fox News hier.

Het is en blijft een boeiende campagne, met een hoge inzet en een naar onze normen heldere keuze. Hopelijk beseft de kiezer dat hij/zij de kaarten ook best duidelijk schudt. Na 25 mei geldt „Mehrheit ist Mehrheit”, en zal blijken dat signalen van de kiezer genegeerd kunnen worden – in tegenstelling tot heldere beslissingen.

Afschuwwekkend Conglomeraat voor Winstbejag

Afschuwwekkend Conglomeraat voor Winstbejag

Op uitnodiging van de N-VA-afdelingen van Kalmthout, Wuustwezel, Brecht en Essen kwam kamerlid Peter Dedecker gisteren naar Nieuwmoer om voor een overvolle De Schuur het verhaal van Dexia en Arco te brengen. Met als centrale vraag „Wie zette de Arcospaarder in de kou ?”. Een deel van het antwoord zit al in de vraag zelf : die spaarder was namelijk geen spaarder, maar een belegger. Maar dat werd hem of haar niet verteld.

Het verhaal was me grotendeels bekend, maar Dedecker bracht het schitterend, legde verbanden, wees op data en details en toonde overtuigend aan dat het ACW in enkele decennia uitgroeide tot een amalgaam van financieel-economische en politieke belangen dat al lang niets meer te maken heeft met de idealen van „sociaal engagement” die het stelt te verdedigen. En dat uiteindelijk niet aarzelde om zonder blikken of blozen de staatsmacht aan te wenden om de eigen particuliere belangen veilig te stellen.

Ik ben het volledig met Dedecker eens dat de enige redelijke uitweg is dat het ACW alle Arco-coöperanten volledig schadeloos stelt. De volgende stap moet wat mij betreft zijn dan het ACW vereffend en ontbonden wordt, waarbij de deelorganisaties het patrimonium behouden dat ze uit hun normale werking hebben verworven (ledenbijdragen e.d.). Al de rest komt de belastingbetaler toe. Als inspiratie wordt gezocht, dan kan dat worden gevonden in andere situaties waar een met de staat vergroeide politieke partij daarvan werd losgekoppeld, zoals de SED in de DDR.

Alleen op die manier kan een einde worden gemaakt aan het meervoudige misbruik van de vrijwilligers van Okra, Femma, KWB, waar Dedecker op wees : die zijn niet alleen financieel gestraft (nadat hen Arco-aandelen waren aangestreefd) maar worden ook moreel in hun hemd gezet : ze lopen met borden tegen belastingfraude rond en worden er via hun organisaties tegelijk medeplichtig aan gemaakt.

Tenslotte wordt elke kritiek op de malversaties waar ze mee voor verantwoordelijk zijn geduid als een aanslag op het „sociaal engagement”. Sorry, maar het verhaal van Dedecker zou perfect ook door iemand van de PVDA kunnen worden gebracht – het is Dedeckers verdienste dat hij zich van zijn taak als parlementslid kwijt zoals dat hoort. Ik begrijp overigens niet dat de ACW-verenigingen zelf er de stekker nog niet hebben uitgetrokken (en dat de KBG zich godbetert het palindroom van Arco als naam heeft laten aanmeten !) om zo hun eigen geloofwaardigheid en die van hun leden te herwinnen. Uit respect voor al die mensen die zich uit écht „sociaal engagement” dag na dag inzetten horen de leiding van Femma, KWB en anderen de navelstreng met het ACW door te knippen. Leve de verenigingen, weg met het ACW !

Dedecker had het nauwelijks of niet over de Gemeentelijke Holding, die andere bizarre constructie die naast Arco achter het Dexia-debacle zit. Die holding, gedragen door de gemeentelijke belastingbetaler, heeft uiteraard geen staatsgarantie gekregen en is dus wel in staat van ontbinding. Daaruit is ondertussen de les getrokken dat het niet opgaat om met belastinggeld te bankieren. Dat dit niet tot conclusies op andere terreinen leidt blijft mij notch tans verbazen. Ook De Tijd komt vandaag tot hetzelfde besluit dat ik als gemeentebestuurder al lang heb getrokken : „Van onze energiebelangen, verlos ons Heer.”

Ik voel me net zo deskundig bij het aansturen van Infrax, IVEG, IKA, Iveka en andere vehikels als destijds bij het onrechtstreeks mee besturen van Dexia, wat we in de gemeenteraad óók geacht werden te doen. Ik neem aan dat mijn collega-raadsleden in zowat alle gemeenten niet noodzakelijk beter gewapend zijn. Als het morgen misloopt, gaan we dan met zijn allen „Wir haben es nicht gewusst” zeggen ? Al past wellicht het Frans beter in dit geval – nog een gelijkenis met Dexia.

Parlement

Parlement

Ik ben de voorbije weken twee keer „gehoord” door een parlementaire commissie. De eerste keer als EMCO-voorzitter door de Commissie Werkgelegenheid en Sociale Zaken van het Europees Parlement, de tweede keer als mede-auteur van het Socio-Economische monitoringrapport door de Commissie Sociale Zaken van de federale Kamer.

Een mooie gelegenheid om gelijkenissen en verschillen even te bekijken. Het debat was boeiender en pittiger in de Kamer. Dat is jammer voor mij, want in het Europees Parlement zat ik met een eigen mandaat, namens een belangrijke speler in het besluitvormingsproces, in de Kamer alleen als expert en ambtenaar, aan wie het niet toekomt een politiek oordeel te vellen. Maar andere verschillen vielen wellicht meer op : de aftandse infrastructuur van de Kamer tegenover de moderne, ruime en praktische vergaderzaal van het Europees Parlement geeft de krachtsverhoudingen wel weer. De Kamer is, zeker in tijden met een regering, vaak een tandenloos geheel. Waar degelijk gedebatteerd wordt, maar uiteindelijk blijft het steriel en zonder echte invloed op het beleid. Het Europees Parlement heeft dan weer de neiging om op alle slakken zout te leggen, om zich strategisch in de voet te schieten. Het is een ingewikkeld parlement, met politieke en nationale lijnen die beurtelings samenvallen en elkaar doorkruisen, met procedures die eigen zijn aan de complexiteit van de EU en aan de driehoeksverhouding Raad-Commissie-Parlement. Maar het heeft wel échte macht, en het parlementslid dat het instrumentarium kent en bespeelt kan er ook echt een verschil maken.

Parlementslid -volksvertegenwoordiger- op welk niveau ook, is het mooiste ambt in de politiek. Een volwaardig parlement maakt het verschil uit tussen een democratie en een autoritair regime. Op dit moment moeten velen beslissen of ze op 25 mei voor een plaats in één van de parlementen solliciteren. Ik ben alvast blij dat er sterke mensen voor het sterkste parlement, het Europese, kiezen. Al heeft dat het grote nadeel dat het in de luwte opereert. Maar met mensen als Bart Staes, Johan Van Overtveldt, Marianne Thyssen en (uiteraard) Guy Verhofstadt stuurt Vlaanderen alvast sterke zonen en dochters uit naar een parlement dat géén wachtkamer is voor het ministerschap (en hoogstwaarschijnlijk ook niet voor het Commissievoorzitterschap, al moet Verhofstadt nu enkele maanden doen alsof hij dat niet weet).

Vijf jaar geleden was ik zelf ook kandidaat. Voor het Vlaams Parlement. Op een onverkiesbare plaats, op wat uiteindelijk de al even onverkiesbare lijst van de Sociaal-Liberale Partij bleek. Ik heb er nog steeds geen spijt van dat ik toen voluit mee ben gegaan voor een politiek programma dat me op het lijf geschreven was . Al lagen toen, zoals nu, mijn politieke ambities vooral lokaal en ben ik van plan om mijn belofte te houden om maar één keer als kamikazepiloot te fungeren. Op 25 mei sta ik niet op een lijst, maar ik zit natuurlijk wel in de aanwervingscommissie, als kiezer. Het zal niet verbazen dat ik daarbij zeker de kandidaten voor „Europa” grondig zal screenen. Want waar de nationale uitslag vooral bepaald zal worden door de krachtsverhoudingen tussen de partijen, speelt in het Europees Parlement de individuele kwaliteit en visie van het parlementslid een doorslaggevende rol. Ik hoop dat mijn mede-kiezers dat ook beseffen, en zich gelukkig prijzen met het mooie selectielijstje dat zich in Vlaanderen aandient.

Zwarte dagen

Zwarte dagen

Het decreet van 9 juni 1993 “houdende subsidiëring van gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid” was een belangrijke stap voor het jeugdbeleid in Vlaanderen : de gemeenten kregen autonomie, en kregen samen met het lokale jeugdwerk de verantwoordelijkheid om een jeugdwerkbeleidsplan op te stellen. In ruil voorzag Vlaanderen subsidies.

In Essen zetten we vanuit de Jeugdraad een stuurgroep op om dat eerste JWBP te schrijven. Met jeugdschepen Frans Schrauwen als één van de drijvende krachten. We zorgden voor een ruim inspraakproces, met het hele jeugdwerk. Verschillende keren brachten we een grote groep jongeren, uit de jeugdbewegingen en daarbuiten, samen om na te denken over een zinvol beleid en de juiste subsidie-instrumenten. En we probeerden zelfs de kinderen te betrekken via de “nieuwjaarswensen aan de burgemeester”.

De mensen veranderden, maar het proces bleef al die jaren bestaan. Elk plan dat ik mee heb opgesteld bleek een nuttige en aangename ervaring met participatie in het beleid. Niet gemakkelijk, maar het zorgde altijd voor nieuwe ideeën en een kritische kijk op wat al bestond. Heel wat jongeren zetten in dit kader hun eerste stappen in “beleid maken”. En bij het jeugdwerk werd veel begrip gekweekt voor het moeilijke proces van “keuzes maken”.

Natuurlijk was het geen eenvoudig werk. Er kroop heel wat tijd in. Zoveel, dat het bestaan van het plan zelf aan de basis lag van de komst van een jeugdambtenaar in Essen. Gelukkig bleek die tot veel meer dan plannen in staat en werd het ook allemaal uitgevoerd. Heel wat ideeën van toen, van subsidiesreglementen tot de Speelpleinwerking, blijken nu niet meer weg te denken.

De voorbije planningsperiodes volgde ik wat meer op afstand. Als gemeenteraadslid mocht ik de jeugdplannen wel mee goedkeuren. En telkens vaststellen dat er hard en gedreven aan was gewerkt, dat er lessen werden getrokken uit wat wel en niet werkte, dat nieuwe inzichten een kans kregen. Het was werk waarop een hele gemeenteraad, meerderheid en oppositie, trots kon zijn. Er bleek zelden een speld tussen te krijgen, maar zelfs dat was als oppositieraadslid mooi om te zien.

In Vlaanderen bleek het jeugdbeleid een trendsetter. Er kwamen sportbeleidsplannen, seniorenbeleidsplannen, cultuurbeleidsplannen, lokale sociale beleidsplannen… Telkens veel werk, maar met veel ruimte voor inbreng vanuit de betrokken sector. Zelfs al liep het proces niet altijd perfect, het zorgde altijd voor nieuwe impulsen, voor een nieuw draagvlak.

Maar de planlasten moesten verminderen. In het kader van de “Beheers- en Beleidscyclus” hoeven al die plannen vanaf 2014 niet meer. Er komt één meerjarenplan. En natuurlijk worden de gemeenten opgeroepen om daar iedereen bij te betrekken. Natuurlijk worden ze gevraagd om inspraak te organiseren.

Maar hoe gebeurt dat dan in Essen ? Door één powerpoint met de vage plannen van het schepencollege voor te stellen op één vergadering van elke adviesraad. En dan maar te hopen dat ze daarmee voor zes jaar verder kunnen. De verschraling van het beleid, de degradatie van de democratie, de ontwaarding van de participatie die dit meebrengt in mijn eigen gemeente is voor mij héél moeilijk om aan te zien. Als democraat, als iemand die gelooft in dialoog doet het me zelfs fysiek pijn. En geloof me, ook dat heeft helemaal niets met oppositie of meerderheid te maken. Ik zou het zelfs nog erger vinden als ik meerderheidsraadslid zou zijn en dat in mijn naam de kans zou worden gemist om samen een beleid uit te werken.

Het is in de eerste plaats een verpletterende verantwoordelijkheid voor de Essense schepenen. Ik begrijp hen daarin echt niet. Al die plannen die ze zelf mee hebben opgesteld, hadden die dan voor hen geen enkele meerwaarde ?

Maar het is ook de verantwoordelijkheid van de decreetgevers : wie het in naam van de gemeentelijke autonomie mogelijk maakt dat alle participatie zomaar overboord wordt gegooid, heeft zich vergist.

Het proces vind ik veel erger dan de uitkomsten. Dat het zwembad dicht gaat doet me pijn. Maar dat dat besluit niet samen met de sportverenigingen, de jeugdverenigingen, de scholen, … wordt genomen vind ik 100 keer erger.

Terwijl ik dit stukje publiceer stel ik vast dat we dag op dag 22 jaar na de zogenaamde “Zwarte Zondag” zijn. Voor de lokale democratie vind ik deze dagen veel erger.

Bij het heengaan van een KSA-er

Bij het heengaan van een KSA-er

De overleden Wilfried Martens wordt geëerd als groot Vlaming, groot Belg en groot Europeaan. Die unieke drievoudige eer lijkt me voor weinigen weggelegd – ik zie geen voorgangers en ook geen nakomers. De kwalificatie is bovendien terecht : Martens belichaamde een tijdperk voor Vlaanderen, voor België en voor Europa.

De staat waarin we sinds de jaren 1980 leven werd voor een belangrijk deel door hem vormgegeven. Hij kreeg als geen ander greep op de communautaire agenda, en zijn communautaire model houdt tot vandaag min of meer stand. Sociaal-economisch was het wachten op opvolger Dehaene om orde op zaken te stellen. Samen tilden ze België boven het niveau van pakweg Italië uit, om ergens tussen Frankrijk en Nederland uit te komen. Vervolgens kreeg Verhofstadt de kans om het land echt tot het niveau van Nederland en Noord-Europa op te tillen. Dat leek even te gaan lukken, maar al snel begon een langzaam terug afglijden. Waarbij het model Martens-Dehaene zowel communautair en economisch steeds meer sleet begint te vertonen – wat geen afbreuk doet aan het respect dat de architecten ervan verdienden. Net omdat, met een knipoog naar het stopwoord van Martens, in dit land nu eenmaal niets evident is.

In alle commentaren wordt verwezen naar het grote plichtsbewustzijn van Martens. Dat lijkt me bijna een understatement. Maar de manier waarop hij zijn ideaal, de visie die hij van bij het begin voor ogen had, waarmaakte is wat mij betreft nog indrukwekkender – je kan het met die visie eens zijn of net niet, maar de rechte lijn aanhouden doorheen het dagelijkse bochtenwerk van de macht is een prestatie die hoe dan ook bewondering afdwingt. Hij had, samen met de grote dame uit de politiek die zijn derde echtgenote werd, nog gelukkige jaren verdiend.