Gekelderd
Ik hou wel van stand-up comedy. Ik ben sowieso nogal een liefhebber van mensen die verbaal sterk zijn, en stand-uppers moeten bij uitstek veel realiseren met weinig middelen. Mensen aan het lachen maken met alleen wat je zegt is bovendien niet gemakkelijk. Het lijkt mij in elk geval “een uitdaging” om het met een vreselijk cliché te zeggen, om zo alleen op het podium grappig te staan wezen.
De mannen van het Keldertrapken gingen die uitdaging aan. Hun “Keldertrapken Komedy Kup” bracht henzelf op de planken met korte stand-up-acts, aan elkaar gepraat en afgesloten door een meer ervaren comedian. Ik weet niet zeker of ik er naartoe zou zijn gegaan als Keldertrapken die avond ook niet de Culturele Prijs van de gemeente zou hebben gekregen. Dat zou jammer zijn geweest, en dat had ik kunnen weten : als Keldertrapken iets doet, dan is het altijd goed gedaan. Ik vind het heel knap wat zij realiseren : vanuit een oud-leidingsgroep (zonder anderen uit te sluiten) een structuur opbouwen die erin slaagt om zéér knappe dingen te realiseren.
Ze hadden niet zoveel inschrijvingen voor hun “comedycursus”, dus trokken ze zelf de stoute schoenen aan, zoals ik al vermeldde. En dat deden ze met verve. Natuurlijk niet met het “métier” van een professional, maar de Uilenaars kwamen soms aardig uit de hoek. Naast Yvan “De Verschrikkelijke” Andriessen kijken -met gepaste sterretjes op het gelaat- is natuurlijk niet mogelijk, maar mij viel vooral Tim Pockelé op. Zou die zich nog herinneren ooit samen met mij als zes- à zevenjarige op een podium te hebben gestaan, in zijn (korte) loopbaan bij KSA/KSJ ? Als hij ooit een BV wordt, kom ik met dat verhaal misschien nog wel in de “boekskes”…
Afsluiter Jeroen Leenders kende ik niet, maar was een openbaring. Met een absurde act die vooral over walvisgeluiden ging, voor zover ik mij herinner, een volle zaal doen vergeten dat het veel te warm is en dat de kleine helft van de aanwezigen moet rechtstaan : het is niet iedereen gegeven.
De uitreiking van de Culturele Prijs ging tenslotte een klein beetje de mist in, maar dat maakt hem vanzelfsprekend niet minder verdiend. Keldertrapken legt de lat hoog voor wie die prijs in onze gemeente in de toekomst in de wacht wil slepen !
Ik quiz regelmatig, meestal in het team van ESAK. Vooral in Essen, maar we zoeken het ook al eens wat verder. In de buurgemeenten, soms zelfs een heel eind hier vandaan. Dat vind ik leuk, omdat je dan met verschillende stijlen van vraagstelling en presentatie te maken krijgt. En ook wel met verschillende moeilijkheidsniveaus. Zodat we af en toe al eens achteraan het peloton eindigen, terwijl we in Essen meestal op een podiumplaats terechtkomen. Alles is relatief, en gelukkig maar. En het plezier dat je aan een quiz beleeft, heeft zelden verband met de plaats in de rangschikking.
Vrijdagavond hebben we met “Was het nu ’70, ’80 of ’90 ?” de fotocollectie van de Stichting Heidebloempje onder de aandacht gebracht. Daarmee verzamelden in de Oude Pastorij leid(st)ers van verschillende generaties, die elkaar niet eens kennen (je zou wellicht een viergeslacht kunnen creëren onder de aanwezigen : de ene was leider van de tweede, die leider was van de derde, die zelf leider geweest is over de vierde…). Naast verschillen (die bij foto’s met auto’s erop nog het meest opvielen) kon je niet om de gelijkenissen heen kijken. Ik heb er mij erg goed mee geamuseerd, en hoop van alle aanwezigen hetzelfde. En ondertussen kan ik natuurlijk alleen maar verwijzen naar onze virtuele fotocollectie die binnenkort de 25.000 stuks zal overschrijden op
Ik heb gisteren mijn debuut gemaakt als quizpresentator. Samen met Carl Kerstens had ik de ESAK-quiz uitgewerkt, die we een hoog multimediagehalte hadden gegeven. Zo ongeveer op het laatste moment leek het ons het meest efficiënt dat ik niet alleen achter de computer zou zitten om de Powerpoint te bedienen, maar ook de microfoon zou hanteren. Ik heb al aan meer dan genoeg quizzen meegedaan om te weten wat er van mij werd verwacht, en dankzij de schermondersteuning heb ik ook maar één vraag moeten herhalen. Desondanks, en hoewel ook het roken in quizzalen gelukkig tot het verleden behoort, was op het einde van de avond mijn stem stilaan op. Maar het was leuk om te doen.
De
Roefel, al voor de 15e keer. Dat Essen in 1994 ook een Roefel kreeg, reken ik bij één van mijn eerste politieke verwezenlijkingen. Nogal wat Essenaren keken in het begin van de jaren 1990 jaloers naar Kalmthout, waar de Roefeldag een groot succes was. Met het toenmalige Jeugdraadbestuur gebruikten we die afgunst (ik herinner me dat “Broer” er ooit een cartoon van maakte) als hefboom om niet alleen een Roefel te krijgen, maar meteen een volwaardige jeugddienst. Het schepencollege probeerde nog wel wat nepoplossingen uit, maar die leverden nooit een Roefel op – waarmee ons gelijk dus bewezen was. Frans Schrauwen, schepen van jeugd, voelde (toen nog ?) goed aan wanneer een bocht onvermijdelijk was, en wist daarvan meestal dan ook nog het beste te maken. Zodat uiteindelijk Josée Van Doren de gemeentelijke jeugdambtenaar werd. In principe maar deeltijds, want zoveel werk kon dat nu toch niet zijn. Maar wij wisten beter (en Josée ook), zodat we al snel een volwaardige jeugddienst hadden.
Oozen burgemjester zet zoewmar in de gemjentelijke berichte dattem gin Esses kan. Da’s straf, stelt uw is veur dat de kunnigin beveurbeld zou zegge dazze gin Vloms kan… Nou muttek jerlijk toewgeve dakkik wok ni jellemoal Esses proat gelak asda zou moette. Mijn ouwers zen van Wezel en Loenout, en ik zen nog nen tijd in Wogstroaete nor ’t school gewist (’t Seminorrie, jaja) : doar zegge ze dasiet ni goe vijne aszet ni goe vinne ! En op den tellevies worde veural Antweirps en dan lekket al rap of dache da dan mar moet overpakke; ’t Esses is wok van zen eige al ni zoew een duidelijk dialect : ’t is West-Broabaants mej toch wok Wost-Broabaantse invloede (gelak as “wer” op ’t ende vanne zin). En binnenet West-Broabaants zittet Esses op de greis tusse Markiezoats, Baroniejs en Antweirps. Veurbij de Nimoer en ’t Aachterbroek proate z’echt Antweirps (dus klappe ze’t,…) mar ier dus niej. Daddis dan wok nog is een bitje menneneigen theoriej, want achet opzukt vind ooveral nen aanderen uitleg. Kem gewort dazze veur achtonderdveftig joar Esse ’t jen en ’t aander gon opschrijve over ’t Esses, en da lekt me wel een goej initjatief. ’t Zou sunt zen da binne feftig joar nimant mjer wet oewachier echt mut proate.
Naar jaarlijkse gewoonte heb ik een dagje opgediend op het Mosselfeest van de Kernraad van Jeugdheem Deken Verbist. Ook om mijn waardering uit te drukken voor het werk van die Kernraad. Die wel van langsom minder representatief wordt voor KSJ, en dat is stilaan onhoudbaar. Ik kan me niet voorstellen dat daar één of andere Machiavellistische redenering achter steekt, dus hoop ik dat ze er snel een oplossing voor vinden. Er komen uitdagingen voor het Jeugdheem aan die een breed draagvlak vereisen.
Het is zowat een jaarlijkse traditie om eind augustus een barbecue te organiseren met de “WOLK” : de oud-leiding van KSJ Essen. Vorig jaar hebben we overgeslagen, maar gisteren hebben we de vlam nog eens in het houtskool gejaagd. Als locatie gebruiken we ondertussen ook al weer sinds enkele jaren het Jeugdheem, waar we ons natuurlijk thuis voelen. En het was weer erg gezellig. Alleen doet het me elk jaar wat meer pijn dat het heem zelf, en zeker de terreinen ervoor, niet echt meer in goede staat zijn. Dat is een vicieuze cirkel : doordat het geheel er niet meer even fris uitziet als pakweg 20 jaar geleden, wordt het ook een stuk minder goed onderhouden door de jeugdbewegingen zelf. Daardoor ziet het er dus nog minder goed uit…