Op de grens
Op de agenda van de openbare zitting van de OCMW-Raad van gisteren stond zo ongeveer niets. Toch werd het nog een boeiende vergadering – ondanks de afwezigheid van de secretaris die in meer Zuiderse oorden vertoefde, ondermeer wegens de gestroffeerde “rondvraag” en ook dankzij enkele “geheime” dossiers met een pittig kantje. Eén van de “rode draden” bleek de verhouding tussen politici en ambtenaren. Dat is altijd een beetje koorddansen, zoals ik als lokaal politicus en federaal ambtenaar langs de twee kanten van de barrière kan vaststellen.
In een OCMW word je onvermijdelijk als mandataris al eens over individuele zaken aangesproken. Het is logisch dat je dat zo goed mogelijk doorgeeft en opvolgt. Soms kan je ook zelf bepaalde stappen zetten, maar hoe vermijd je dat je dat achter de rug van de sociale assistenten doet ? Wie verwittig je als een bepaalde actie erg dringend lijkt ? Wat is de rol van de voorzitter, die uiteindelijk ook een politicus is en geen rechtstreekse opdrachten aan het personeel mag geven – maar in de dagelijkse praktijk soms wellicht toch niet anders kan ? Wie moet zich uitspreken over de herinrichting van burelen of de heraanleg van het plein voor het gebouw : het personeel (dat er elke dag werkt) en/of de mandatarissen (die immers verkozen zijn om het beleid te bepalen) ? Wat met politieke beslissingen die de facto onuitvoerbaar (of gewoon dom) zijn ?
Het is altijd zoeken, soms met “trial and error”, maar het belangrijkste is voor mij wederzijds vertrouwen en respect. Ook als politicus krijg je dat niet zomaar, je moet het verdienen. Federaal en lokaal !
Dit weekend organiseerde KSJ Essen voor alweer de 20e keer haar KSJ-Weekend. Volgens mij heb ik er daar maar één van gemist (Romereis in de Retorica). Natuurlijk zijn vooral de weekends waar ik actief aan heb meegewerkt, voorbereid én opgeruimd memorabel. Het programma onderging natuurlijk verschillende wijzigingen, maar sommige zaken veranderen nooit. Zoals doodvermoeide leiding die op zondag krampachtig moet proberen om zich met een klantvriendelijke glimlach geloofwaardig te maken als kelner, terwijl hun hele lijf (en hun uniform) vooral “slapen” uitdrukt. Om vervolgens vooral níet te veel te slapen alvorens maandag de opkuis aan te vatten… Zo is het dus al twintig jaar, en zo mag het wat mij betreft nog lang blijven !
De Britse en Ierse premiers proberen het Noord-Ierse vredesproces opnieuw op gang te brengen door duidelijke deadlines te stellen : als de Noord-Ieren er niet in slagen om de eigen instellingen zelf opnieuw op gang te trekken, nemen Londen én Dublin samen rechtstreeks het bestuur op zich. Een verstandige zet, want zo worden de pro-Britse protestanten min of meer gedwongen om te bewegen : zolang de Britten alleen de “six counties” besturen is er voor hen immers geen vuiltje aan de lucht en stoort de opschorting van de werking van de eigen Noord-Ierse regering en parlement hen niet zo.
Nog eens “in opdracht” in het buitenland beland (de “zending” van vorige week naar Den Haag tel ik niet mee; een broodje in het stationsbuffet van Roosendaal is nu eenmaal weinig exotisch…). Met Stockholm maak ik het rijtje van bezochte Scandinavische hoofdsteden compleet. Ik hield enorm van Kopenhagen, Helsinki en Oslo, maar ik heb toch het gevoel dat ik de mooiste als laatste heb gehouden. Vooral de oude stad met kleine, smalle, bijna Italiaanse straatjes -met Vlaamse kasseien- is heel leuk. Al verbaasde me het wel een beetje dat er nog sneeuw ligt (en zelfs nog bijvalt) en dat grote stukken meer nog bevroren zijn. Ik had niet verwacht dat ik dit jaar in april nog terug in de winter zou belanden. Ook dat is het Hoge Noorden, natuurlijk.