Een ander beleid voor meer en betere banen

Als het over het werkgelegenheidbeleid gaat, wordt er in dit land heel vaak gesproken over wie daarvoor verantwoordelijk moet zijn : de federale overheid of de gewesten. Natuurlijk is dat belangrijk. De staatshervorming moet daarover duidelijkheid brengen. Maar vaak wordt daarbij vergeten dat het er vooral op aankomt vast te leggen wat voor beleid er moet worden gevoerd. Daarover wordt maar zelden klare taal gebruikt, ook door de Vlaamse partijen. Ze willen wel de bevoegdheden, maar om wat daarmee te doen ?

Wat daarbij opvalt, is de angst om tegen de sociale partners in te gaan. Vanzelfsprekend moet er voortdurend worden overlegd met vakbonden en werkgeversorganisaties. Maar in een democratie heeft de politiek het laatste woord. Daar zijn goede redenen voor : de sociale partners houden vaak onvoldoende rekening met de belangen van de mensen die geen werk hebben. Hun afspraken hebben bijvoorbeeld ouderen duur gemaakt op de arbeidsmarkt, en dus vinden die vaak geen werk meer. De sociale partners sturen ook de rekening voor hun afspraken wel heel gemakkelijk naar de schatkist. Het brugpensioen is daar een goed voorbeeld van : het komt de werkgever en de werknemer dikwijls goed uit. Maar de belastingbetaler draait op voor de rekening, en die is niet gering. Bovendien zorgt het brugpensioen er niet voor dat jongeren aan de slag raken : een eenvoudige internationale vergelijking leert dat in landen waar er meer ouderen werken ook meer jonge mensen aan de slag zijn. Logisch, want ze vullen elkaar perfect aan.

Dus moet de overheid de moed hebben om zelf grondige hervormingen door te voeren. Gelukkig moeten we daarbij niet van nul vertrekken. Internationale organisaties zoals de Europese Commissie en de OESO leggen ons al verschillende jaren uit hoe het beter zou kunnen, en ook van buitenlandse voorbeelden kunnen we veel leren.

Een werkloosheidsuitkering voor de 21 eeuw...

We zouden best beginnen met een hertekening van ons hele werkloosheidsstelsel. Daarvoor voegen we het leefloon en de werkloosheidsuitkeringen samen in één systeem, want uiteindelijk gaat het om hetzelfde : een uitkering voor wie geen baan heeft. Het laagste bedrag moet hoger worden dan het huidige leefloon, want dat is véél te laag om behoorlijk van te leven. Dat minimumbedrag blijft wel gebonden aan overige inkomens, zoals dat nu voor het leefloon geldt. Daarbovenop komt een uitkering die samenhangt met de tijd dat iemand al heeft gewerkt, en daalt naarmate de werkloosheid langer duurt. In het begin moet de uitkering zo flink hoger worden dan nu : dat geeft mensen de tijd en de gelegenheid om een gepaste baan te zoeken. Goed voor hen, en voor de economie : de juiste persoon op de juiste plaats rendeert het best. We controleren wel regelmatig (bijvoorbeeld elke twee maanden) of er wel effectief naar werk wordt gezocht. En na enkele maanden laten we de uitkering best dalen. Tegelijk brengen we dan een hele batterij van begeleidingsmaatregelen op gang om de werkzoekende te helpen. Na bijvoorbeeld 18 maaanden voeren we zelfs een voltijdse begeleiding in : ofwel krijgt de werkzoekende een baan om ervaring op te doen (bijvoorbeeld bij de gemeentebesturen), ofwel een voltijdse opleiding. Zo vermijden we dat mensen het werkritme helemaal kwijt raken. Tussen de VDAB en het OCMW spreken we een nieuwe taakverdeling af : alle werkzoekenden worden begeleid door de VDAB, tenzij er ook andere problemen in het spel zijn (huisvesting, schulden, sociale of psychische moeilijkheden...). Dan zorgt het OCMW voor hen.

Al wie werk zoekt, komt zo in één duidelijk stelsel terecht. Ook de werkzoekenden boven 55, natuurlijk. Al moet de begeleiding aan hen worden aangepast, maar dat geldt eigenlijk voor iedereen : er moet zo veel mogelijk op de maat van de werkzoekende worden gewerkt. Om te vermijden dat ouderen te vroeg afhaken, moeten we dringend een nieuw Generatiepact uitwerken. Het brugpensioen, zoals we dat nu kennen, is niet houdbaar. We vervangen het beter door een soort loopbaanrekening : mensen sparen dagen op tijdens hun loopbaan, en kunnen die gebruiken om een pauze te nemen (zoals het tijdskrediet nu), of om enkele jaren eerder met pensioen te gaan.

Op die rekening sparen we ook de ontslagvergoedingen bijeen. Natuurlijk heeft wie ontslagen wordt recht op een vergoeding. Maar nu zorgt die hoge vergoeding er vaak voor dat mensen niet worden aangeworven. Zeker in crisistijden. Al te gek. Als de werkgever elke maand een bijdrage op een rekening stort, dan wordt de ontslagvergoeding stilaan bijeengebracht. De werkgever kan die dan opnemen, of gewoon naar een volgende baan meenemen. En op het einde van de loopbaan eventueel gebruiken om het pensioen mee aan te vullen. In Oostenrijk werkt het al zo.

Arbeider, bediende of ambteraar : allemaal hetzelfde contract...

Meteen hebben we dan het belangrijkste verschil tussen de statuten van arbeiders en bedienden afgeschaft. Gelukkig maar, want dat is al heel lang uit de tijd. Arbeiders, bedienden, ambtenaren... : dezelfde regels moeten gewoon voor hen allemaal gelden. Ook de verschillen tussen de sectoren moeten we nog eens opnieuw bekijken : is het echt wel nodig dat er zoveel verschillende regels over de arbeidsduur, de lonen, het tijdskrediet of allerlei premies en vergoedingen zijn volgens de sector ? Dat maakt alles erg ingewikkeld (bijvoorbeeld voor buitenlandse investeerders) en creëert discriminaties. De verschillen tussen kleine en grote ondernemingen zijn trouwens ook niet altijd verantwoord. Ontslagen worden bij de bakker om de hoek is even erg dan je baan verliezen bij Opel, maar het verschil in behandeling is vaak schrijnend.

Ook zelfstandig worden is in ons land nog altijd niet zo eenvoudig. Mensen die een zaak opstarten en daarvoor risico's nemen, verdienen beter. Door allerlei ingewikkelde procedures te vereenvoudigen. En door te zorgen voor een sociaal stelsel dat hen opvangt wanneer de plannen vastlopen. Wie probeert, kan nu eenmaal mislukken. Maar als alles eerlijk is gebeurd, moet dat toch geen stempel voor het leven opleveren ?

Om onze arbeidsmarkt klaar te maken voor de toekomst, moeten we in opleiding investeren. De economie van morgen zal een kenniseconomie zijn. Daarin zullen er wel banen voor laaggeschoolden blijven, gelukkig maar. Toch zal ook daarin wat meer worden gevraagd dan vandaag. Van opleiding wordt iedereen beter : de werknemer, de werkgever en de hele economie. Dus moet ook iedereen er aan bijdragen. Zullen we daarvoor de loopbaanrekening gebruiken ?

De SLP kiest ook duidelijk voor gratis kinderopvang. Dat vind ik een heel goed idee, op voorwaarde natuurlijk dat er voldoende plaatsen beschikbaar zijn voor iedereen. In Finland is kinderopvang een recht. De gemeente moet er voor genoeg plaatsen zorgen. Dat zou toch hier ook kunnen ?

Je merkt het, ik zou hier nog wel even over kunnen doorgaan. "Werk" is dan ook mijn werk ! Dus vind ik werkgelegenheidsbeleid wel belangrijk. Mijn ideeën daarover sluiten aan bij wat in de EU "flexicurity" wordt genoemd : een samentrekking van "flexibiliteit" en "zekerheid". We moeten ervoor zorgen dat mensen vlot van de ene baan naar de andere kunnen overstappen, en gemakkelijk in en (even) uit de arbeidsmarkt kunnen. Alleen op die manier gaan we ervoor zorgen dat er echt meer mensen aan de slag zijn in ons land. En dat is absoluut nodig, als we onze sociale zekerheid betaalbaar willen houden. Dus is het tijd voor echte hervormingen, niet voor de homeopatische aanpassingen die vandaag voor "werkgelegenheidsbeleid" doorgaan.

Maar het is crisis, en er zijn geen banen. Is het dan nu wel het moment om die hervormingen door te voeren ? Mijn antwoord is klaar en duidelijk JA ! Het allerbelangrijkste is om ervoor te zorgen dat we een arbeidsmarkt hebben die goed werkt en banen creëert zodra de crisis voorbij zal zijn. Daarvan moeten we nu werk maken. Liever vandaag nog dan morgen.